Faillissement van een debiteur - wat nu ?

Faillissement van een debiteur - wat nu ?

Helaas blijven maar weinig ondernemers gespaard van de ervaring om achter te blijven met een onbetaalde factuur na het faillissement van een klant, al dan niet na een vruchteloze 'doodstrijd' van diezelfde klant in het kader van een gerechtelijke reorganisatie. Loont het de moeite om daarna tijd en energie te steken in de opmaak van een aangifte van schuldvordering in het faillissement en waarop moet u letten wanneer u een dergelijke aangifte opstelt? In deze bijdrage staan we even kort stil bij enkele aandachtspunten die wel eens het verschil kunnen maken.

De eerste voorwaarde om als schuldeiser in aanmerking te komen voor een eventuele uitkering uit het faillissement is het verrichten van een aangifte van schuldvordering. Schuldeisers die geen aangifte verrichten, zullen sowieso niets recupereren. De aangifte dient aan de griffie van de betrokken rechtbank van koophandel toegestuurd te worden vóór de datum zoals bepaald in het vonnis van faillietverklaring. Dit kan onder meer geverifieerd worden op de site van het Belgisch Staatsblad (http://www.ejustice.just.fgov.be/tsv/tsvn.htm). Ook na deze datum kan er nog een aangifte van schuldvordering gebeuren, maar deze schuldeisers zullen enkel delen in de tegoeden die op dat ogenblik nog niet verdeeld zijn. Let wel, het recht om een schuldvordering in te dienen verjaart in principe één jaar na het faillissementsvonnis.  Bij de aangifte dienen de bewijsstukken van de vordering gevoegd te worden (bestelbon, factuur, ingebrekestelling, etc ...).

Schuldeisers die gekend zijn op het ogenblik van de faillietverklaring worden normaliter door de curator van het faillissement verwittigd van de faling en uitgenodigd om aangifte van schuldvordering te verrichten. Schuldeisers die niet gekend zijn of die door de curator over het hoofd werden gezien, zijn op eigen opzoekingen aangewezen en mogen dus niet passief blijven.

Een noodzakelijke reflex van een handelaar die geconfronteerd wordt met een faillissement van een medecontractant, is het verifiëren of de gefailleerde geen goederen onder  zich houdt die nog eigendom zijn van de schuldeiser en die de curator verkeerdelijk kan aanzien als eigendom van de gefailleerde. Dit kan gaan om ter beschikking gesteld of verhuurd materiaal, of om onbetaalde goederen die verkocht werden onder een clausule van eigendomsvoorbehoud. De vordering tot teruggave moet op straffe van verval gesteld worden voor het eerste proces-verbaal van verificatie van schuldvordering. Ook deze datum vindt u in het vonnis van faillietverklaring terug. De curatoren nemen hieromtrent in de regel snel standpunt in zodat de teruggaaf vlot kan verlopen. Indien de teruggaaf niet in der minne kan gebeuren,  moet er tijdig in rechte opgetreden worden.

Omgekeerd dient de schuldeiser ook te verifiëren of hij niet bepaalde activa van de gefailleerde onder zich houdt, zodat er daarop eventueel een retentierecht kan uitgeoefend worden. De schuldeiser kan onder bepaalde voorwaarden immers weigeren om deze goederen af te geven aan de gefailleerde, totdat de schuldvordering die met deze goederen verband houdt, voldaan werd.

Schuldeisers in een faillissement worden onderverdeeld in verschillende categorieën, waarvan de voornaamste tweedeling deze is tussen de schuldeisers met een zekerheid of een voorrecht, en de gewone of zgn. chirografaire schuldeisers (deze zonder pand, hypotheek of voorrecht). Een bijzonder voorrecht levert een schuldeiser een goede positie op, aangezien het de schuldeiser toelaat om zich vóór anderen uit een (de opbrengst van een) bepaald goed te laten betalen. Het aantal bijzondere voorrechten is uitgebreider dan men soms denkt. Niet enkel de banken of overheidsinstellingen kunnen voorrechten laten gelden. Zo zijn er voorrechten voor de onbetaalde verkoper van een roerend goed,  voor de onbetaalde verhuurder, voor alle kosten die voor het 'behoud' van een bepaalde zaak zijn gemaakt (bv. onderhoud, herstellingen, etc ...), voor de vervoerder, voor de onderaannemer, uit hoofde van gemaakte gerechts- en uitvoeringskosten, etc ... Het loont de moeite om per geval na te gaan of men een voorrecht kan laten gelden.

Een bijzondere positie is weggelegd voor diegene die verder gehandeld heeft met een schuldenaar die eerst in gerechtelijke reorganisatie is gegaan en vervolgens toch failliet is gegaan. De WCO-wet stelt immers dat de onbetaalde schuldvorderingen die teruggaan op prestaties die uitgevoerd werden tijdens een periode van gerechtelijke reorganisatie normaliter als boedelschulden worden beschouwd indien de betrokken debiteur naderhand failliet gaat. Boedelschulden worden in een faillissement eerst uitbetaald uit het beschikbare actief, nog vóór de bevoorrechte schuldvorderingen. Onder bepaalde voorwaarden prevaleren deze vorderingen zelfs op deze van bv. een hypothecaire schuldeiser. Het is dus relatief waarschijnlijk dat deze schulden in het kader van een faillissement door de curator zullen betaald worden.

Indien een derde zich borg heeft gesteld voor de betrokken schuld, of zich mee heeft verbonden om de schuld te betalen, is het aangewezen om dit in de aangifte van schuldvordering op te nemen. Derden die zich kosteloos borg hebben gesteld voor de gefailleerde, worden immers geacht bevrijd te zijn, indien de schuldeiser dit niet binnen de 6 maanden na het vonnis van faillietverklaring gemeld heeft.

Lopende overeenkomsten komen door een faillissement niet automatisch ten einde. De curator kan wel beslissen om bestaande overeenkomsten al dan niet verder uit te voeren. Indien de curator beslist om niet verder uit te voeren, kan de schuldeiser aangifte van schuldvordering verrichten voor de schade die hij door deze beëindiging lijdt. Indien de curator beslist om een overeenkomst verder uit te voeren, kwalificeren de schulden die daaruit voortvloeien en die dateren van na deze beslissing als 'boedelschulden', waarvan de betaling relatief zeker is. Indien de curator geen standpunt inneemt over een lopende overeenkomst, voorziet de wet dat de curator kan aangemaand worden om deze beslissing te nemen binnen de 15 dagen. Neemt de curator vervolgens geen beslissing binnen deze 15 dagen, dan wordt de overeenkomst geacht beëindigd te zijn door toedoen van de curator. 

Dat wanbetalers best nauwgezet opgevolgd worden, is een open deur intrappen. Dit advies blijft ook gelden na een faillissement van de wanbetaler. Het is zaak om zo spoedig mogelijk op de hoogte te geraken van dit faillissement en tijdig een aangifte van schuldvordering te verrichten. Een aangifte van schuldvordering wordt best zo accuraat mogelijk opgesteld, met vermelding van de eventuele borgen, de eventuele medeschuldenaars en de eventuele voorrechten, zekerheden of kwalificatie als boedelschuld. Dit verhoogt de kans op recuperatie in belangrijke mate. M.b.t. lopende overeenkomsten kan de schuldeiser de curator dwingen om snel standpunt in te nemen. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.