Europese ambities ? vergeet de fiscaliteit niet !

Europese ambities ? vergeet de fiscaliteit niet !

Ondernemers met Europese ambities kunnen kiezen om te werken met een buitenlandse partner (een verdeler, fabrikant, dienstenbedrijf, makelaar, ...). Als de buitenlandse activiteiten belangrijker worden, zien wij vaak dat ondernemingen een buitenlands filiaal openen of een buitenlandse dochter oprichten. De keuze van de gepaste structuur wordt doorgaans ingegeven door de omvang van de operaties, door beschikbaarheid van mensen en middelen en door marktomstandigheden. Elke keuze kan ook fiscale effecten hebben, zowel in België als in het buitenland. Uit ervaring blijkt dat deze fiscale aspecten een niet - onbelangrijke rol kunnen spelen; in deze bijdrage werpen we graag een licht op de belangrijkste hiervan.

Samenwerking met een partner in het buitenland

De opstart van een onderneming is een andere EU-lidstaat vereist een grondige kennis van de lokale markten. Een buitenlandse verdeler, commissionair of agent kan de instap in een lokale markt vergemakkelijken. Het is, ook vanuit fiscaal oogpunt, belangrijk dat goede afspraken gemaakt worden met de buitenlandse partner. Vooral in structuren waarbij de buitenlandse partner optreedt als agent of als commissionair kan fiscaal een risico ontstaan dat er sprake is van een "vaste inrichting" van de Vlaamse ondernemer in het buitenland. Dit zal in de regel het geval zijn als de buitenlandse partner vanuit economisch of juridisch oogpunt afhankelijk is van de Vlaamse ondernemer én als de buitenlandse partner de bevoegdheid heeft om contracten af te sluiten in naam en voor rekening. In dat geval kan er een "personele vaste inrichting" ontstaan. Zoals ook het geval is voor een bijkantoor (zie hierna) is de winst die aan deze inrichting wordt toegerekend belastbaar in het buitenland. In België wordt ze vrijgesteld.

Oprichting van een bijkantoor

Een andere piste is het openen van een buitenlands filiaal (b.v. een verkoopskantoor, depot, assemblage eenheid, ...) zonder een nieuwe vennootschap op te richten. Als de Vlaamse ondernemer in het buitenland permanent de beschikking heeft over een vaste plaats die gebruikt wordt voor het ontwikkelen van zaken, dan is er sprake van een "vaste inrichting". De winst die aan deze vaste inrichting kan worden toegerekend zal dan in het buitenland worden belast tegen het geldende belastingtarief (zie kader).

In België zal de winst van de vaste inrichting (die belast is in het buitenland) worden vrijgesteld van belasting. Verliezen van de vaste inrichting zijn aftrekbaar van de Belgische winst. Daardoor kunt u dus de eventuele opstartverliezen gebruiken om het fiscaal resultaat in België te verminderen. Let wel op: als de buitenlandse inrichting later winst maakt, zal deze winst in België slechts worden vrijgesteld in de mate dat ze hoger is dan de voorheen afgetrokken verliezen. Met deze regel wil men vermijden dat dezelfde verliezen twee keer worden afgetrokken.

Het kan daarom interessant zijn om in de opstartfase niet onmiddellijk een buitenlandse dochteronderneming op te richten. Immers, als de opstart mislukt kan de minderwaarde op de buitenlandse dochteronderneming enkel worden afgetrokken wanneer deze wordt geliquideerd. De aftrek is bovendien beperkt tot het verlies van het kapitaal dat werd gestort.

In de praktijk zien wij vaak dat ondernemingen er zich niet van bewust zijn dat ze een buitenlandse vaste inrichting hebben. De lokale belastingadministratie kan dan de winst belasten, terwijl in België deze winst niet werd vrijgesteld. In dit geval ontstaat er dubbele belasting die best vermeden kan worden en, desgevallend, op de geëigende manier kan gerecupereerd worden.

Het uitbouwen van een buitenlandse vaste inrichting heeft ook nog tal van andere fiscale gevolgen voor het Belgische hoofdhuis. Zo bijvoorbeeld dient het netto-actief dat toerekenbaar is aan een buitenlandse vaste inrichting in mindering te worden gebracht van de berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek (net zoals ook de waarde van deelnemingen dient te worden afgetrokken van de berekeningsbasis).

Oprichting van een dochteronderneming

Het oprichten van een nieuwe vennootschap kan nuttig zijn, bijvoorbeeld als de buitenlandse investering belangrijke financiële middelen vereist of risicovol is. Een afzonderlijke rechtspersoon kan eigen financiële middelen aantrekken (inbreng of lening van kapitaal door de moederonderneming of derden).

De buitenlandse onderneming zal een eigen boekhouding moeten voeren en aan alle buitenlandse fiscale regels onderworpen zijn. De winst wordt in het buitenland aan vennootschapsbelasting onderworpen (zie kader voor de tarieven).

De winst van de dochteronderneming kan terugvloeien via een dividend. Op basis van de Europese moeder-dochterrichtlijn zal dit dividend in beginsel niet onderworpen zijn aan bronheffing (onder voorwaarden). Bij de Vlaamse moeder zal in beginsel 95% van het dividend worden vrijgesteld van belasting (toepassing van regime van Definitief Belaste Inkomsten).

De activiteiten van de buitenlandse dochteronderneming kunnen ook gefinancierd worden met een lening. De interesten op deze lening zullen, op basis van de Europese interest-royalty richtlijn, in beginsel vrijgesteld zijn van bronheffing als de interest marktconform is. Bij de Belgische onderneming zullen deze interesten belast worden. In de meeste Europese landen zijn interesten aftrekbaar als beroepskost. In sommige landen kunnen echter anti-misbruik regels van toepassing zijn waardoor interest slechts aftrekbaar is in functie van de financiering met eigen vermogen ("thin capitalisation rules"). Andere landen kunnen de aftrek weigeren van interesten die betaald wordt op leningen om activa te verwerven die geen belastbare inkomsten genereren (zoals b.v. aandelen).

Transfer pricing

Bij internationale activiteiten moet ook nog rekening gehouden worden met de regels over verrekenprijzen (vaak ook "Transfer Pricing-regels" genoemd). Ondernemingen die met elkaar verbonden zijn dienen te handelen alsof ze onafhankelijke partijen zijn.

Voor elke verrichting (b.v. verkopen goederen, leningen, gebruik van merken, know-how, ...) dient een marktconforme vergoeding te worden bepaald. Daarbij wordt rekening gehouden met de functies van elke entiteit, met de genomen risico's en met de ingezette activa. Het spreekt voor zich dat de winst van de buitenlandse entiteit hoger zal zijn als zij cruciale ondernemingsfuncties verzorgt, belangrijke risico's neemt, en/of belangrijke middelen moet inzetten voor de activiteiten.

Bijvoorbeeld: een Belgische onderneming beslist om haar producten in de toekomst via een buitenlandse dochteronderneming te verdelen. De marge die bij deze distributeur valt, zal afhangen van de functies, risico's en ingezette middelen. De marge voor een distributeur die louter instaat voor (logistieke) afhandeling van bestellingen die via het Belgische hoofdhuis worden aangenomen zal een aanzienlijk lagere marge hebben dan een distributeur die ook nog moet instaan voor lokale productontwikkeling, prospectie, publiciteit en marketing.

De vergoeding voor de distributeur zal redelijkerwijze hoger liggen als deze distributeur aan belangrijke risico's is blootgesteld, zoals b.v. productrisico's (productaansprakelijkheid, defecte producten, ...) kredietrisico's van klanten of financiële risico's (b.v. wisselkoersrisico's).

Tenslotte zal de vergoeding voor de distributeur mee worden bepaald door de ingezette activa (b.v. eigen gebouwen, machines, een eigen klantenlijst opgebouwd door eerdere inspanningen).

Wij stellen vast dat de fiscale administratie meer en meer aandacht schenkt aan deze problematiek. Het is van groot belang dat de toegepaste prijs voor elke verrichting kan worden verantwoord, in het licht van de functies, risico's en activa.

Het is uit den boze om allerhande verrichtingen op te zetten waarbij winst verschoven wordt naar de onderneming die gelegen is in het land waar de belasting het laagst is, terwijl de functies, risico's en/of activa in dit land zeer beperkt zijn. Zowel in België als in het buitenland bestaat een arsenaal aan fiscale regels om dergelijke winstverschuiving te bestrijden. In elk geval moeten alle verrichtingen tussen verbonden entiteiten voldoende gedocumenteerd zijn en moet de prijszetting marktconform zijn. Een aangepaste transfer pricing studie kan hierbij aangewezen zijn.

Tarief vennootschapsbelasting
België: 33,99%
Nederland: 25,5%
Luxemburg: 28,8% (*)
Duitsland: 22,8 - 32,8% (*)
Frankrijk: 33,33%
(*) Afhankelijk van de plaats van vestiging van de vennootschap

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.