De voorafgaande kennisgeving bij fraude - voorwaarde voor taxatie ook inzake btw (?)

De voorafgaande kennisgeving bij fraude - voorwaarde voor taxatie ook inzake btw (?)

In de inkomstenbelastingen bedraagt de normale aanslagtermijn drie jaar. De termijn waarover de administratie beschikt om onderzoek te doen valt met deze aanslagtermijn samen. In geval van fraude wordt de aanslagtermijn evenwel verlengd tot zeven jaar. De administratie kan na afloop van de driejarige termijn en binnen de aanvullende termijn van vier jaar ook nog onderzoek verrichten op voorwaarde dat zij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die ten aanzien van hem bestaan. Deze voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag (art. 333 lid 3 WIB 92). In een arrest van 18 november 2010 bevestigde het Hof van Cassatie haar (overigens bekritiseerde) rechtspraak dat deze voorafgaande kennisgeving enkel is vereist bij onderzoeksdaden ten aanzien van de belastingplichtige zelf en niet wanneer zij ten aanzien van derden plaatsvinden (bv. wanneer de fiscale administratie een verzoek tot inlichtingen richt aan buitenlandse fiscale autoriteiten).

Inzake BTW bedraagt de verjaringstermijn evenzeer drie jaar en wordt ook deze termijn in geval van fraude verlengd tot zeven jaar. Indien de BTW-administratie “voornemens is” deze verlengde verjaringstermijn toe te passen moet ook de BTW-administratie voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan. De voorafgaande kennisgeving is opnieuw voorgeschreven op straffe van nietigheid met name van de zogenaamde “rechtzetting” (bv. een correctie-opgave) (art. 84 ter WBTW).

Beide procedures vertonen aldus grote gelijkenissen. Op het vlak van de inkomstenbelastingen bestaat er evenwel consensus dat de kennisgeving moet voorafgaan aan het bijkomend onderzoek dat wordt gevoerd na afloop van de driejarige aanslagtermijn terwijl op het gebied van de BTW er betwisting bestaat over de vraag waaraan de kennisgeving juist moet voorafgaan. In deze zijn er twee standpunten. In een eerste visie moet de kennisgeving enkel voorafgaan aan de rechtzetting zelf. In de andere visie moet, net zoals op het vlak van de inkomstenbelastingen, de kennisgeving voorafgaan aan de bijkomende onderzoeksdaden die na afloop van de driejarige verjaringstermijn worden gesteld. Deze kwestie heeft zijn praktisch belang. Indien men immers aanneemt dat de BTW-administratie geen kennisgeving dient te sturen voorafgaand aan de onderzoeksdaden gesteld binnen de verlengde termijn, impliceert dit dat zij gedurende deze termijn nog ongehinderd onderzoeksdaden kan stellen zonder dienaangaande te moeten vrezen voor de nietigheid van de “rechtzetting”.

Ook de rechtspraak is verdeeld. Zo oordeelden de Franstalige kamer van het hof van beroep van Brussel en de rechtbank van Bergen dat de wet slechts vereist dat de kennisgeving voorafgaat aan de “rechtzetting” en niet aan de bijkomende onderzoeksdaden. Artikel 84 ter WBTW koppelt de voorafgaande kennisgeving inderdaad niet uitdrukkelijk aan het stellen van onderzoekdaden zoals dit wel het geval is in artikel 333 lid 3 WIB 92 op het vlak van de inkomstenbelastingen.

De Nederlandstalige kamer van het hof van Beroep van Brussel, de rechtbank van Leuven en de rechtbank van Brugge oordeelden daarentegen dat de kennisgeving wèl aan de onderzoeksdaden gesteld in de verlengde verjaringstermijn dient vooraf te gaan. De redenering is als volgt. Volgens artikel 84 ter WBTW moet de BTW-administratie een voorafgaande kennisgeving doen “indien zij voornemens is” de verlengde verjaringstermijn toe te passen. Wanneer de administratie binnen de verlengde termijn een onderzoek wenst uit te voeren is zij “voornemens” om de verlengde verjaringstermijn toe te passen en is zij verplicht voorafgaandelijk, vooraleer het onderzoek aan te vatten, aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan. De voorafgaande kennisgeving wordt met andere woorden gekoppeld aan het “voornemen” om de verlengde verjaringstermijn “toe te passen” en niet aan de “rechtzetting”. De Nederlandstalige kamer van het hof van beroep van Brussel oordeelde in een zeer recent arrest (9 juni 2011) in nog scherpere bewoordingen door te preciseren dat wanneer de administratie een onderzoek voert gedurende de verlengde verjaringstermijn zij “voornemens” isde verlengde verjaringstermijn toe te passen “of beter zij deze termijn reeds toe [past].”   

Zowel het Wetboek Inkomstenbelastingen als het BTW-wetboek bevatten een gelijkaardige bepaling die voorschrijft dat wanneer de administratie in geval van fraude gebruik wil maken van de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar zij de belastingplichtige kennis moet geven van de aanwijzing inzake belastingontduiking. De voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag dan wel van de rechtzetting. Op het vlak van de inkomstenbelastingen is de wet duidelijk: de administratie dient de kennisgeving te doen vooraleer zij binnen de verlengde verjaringstermijn onderzoeksdaden stelt. Op het vlak van de BTW is daarentegen niet duidelijk geregeld waaraan de voorafgaande kennisgeving dient vooraf te gaan; aan de rechtzetting of aan de onderzoeksdaden. Er zijn evenwel goede argumenten om te stellen dat ook inzake BTW de voorafgaande kennisgeving bij fraude moet voorafgaan aan de bijkomende onderzoeksdaden en niet alleen aan de rechtzetting. Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.