De voorafgaande kennisgeving bij fiscale fraude - extrapolatie van fraude naar voorgaande jaren is uit den boze !

De voorafgaande kennisgeving bij fiscale fraude - extrapolatie van fraude naar voorgaande jaren is uit den boze !

Op het vlak van de inkomstenbelastingen bedraagt de normale aanslagtermijn drie jaar. De termijn waarover de administratie beschikt om onderzoek te doen valt met deze aanslagtermijn samen. In geval van fraude wordt de aanslagtermijn evenwel verlengd tot zeven jaar. De administratie kan na afloop van de driejarige termijn en binnen de aanvullende termijn van vier jaar ook nog onderzoek verrichten op voorwaarde dat zij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die ten aanzien van hem bestaan voor het bedoeld tijdperk. Deze voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag (art. 333, lid 3 WIB 92). Op het vlak van de BTW bestaat een gelijkaardige bepaling (art. 84 ter W.BTW).

In vorige bijdragen hebben wij aandacht besteed aan de vereiste van de voorafgaandelijkheid van de kennisgeving (zie J. Sandra & S. Vancolen, “De voorafgaande kennisgeving bij fraude – voorwaarde voor taxatie ook inzake BTW(?)” TFI 20 juli 2011) en aan de voorwaarden inzake de motivatie ervan (zie S. Vancolen & A. Maes, “De voorafgaande kennisgeving bij fraude (bis) – verplichte vermeldingen op straffe van nietigheid” TFI 9 september 2011). In huidige bijdrage richten wij aan de hand van twee voorbeelden uit de praktijk de focus op de voorwaarde dat de aanwijzingen van belastingontduiking betrekking moeten hebben op het bedoeld tijdperk.

De eerste casus heeft betrekking op de firma X die gedurende de periode 2003-2008 goederen aankocht bij de firma Y. In de loop van 2010 verstuurde de administratie aan de firma X een kennisgeving tot uitbreiding van de onderzoekstermijn. Vooreerst meende de administratie uit een aantal zogenaamde “vaststellingen” af te kunnen leiden dat er voor de boekjaren 2007 en 2008 (aanslagjaren 2008 en 2009) sprake is van een fictieve facturatie. Eén van deze “vaststellingen” zou erin hebben bestaan dat de leveranciersrekening met betrekking tot leverancier Y, in tegenstelling tot bij de andere leveranciers, door X op een totaal ondoorzichtige wijze zou zijn bijgewerkt. Een andere zogenaamde “vaststelling” was dat de firma X alle facturen in stukken zou hebben betaald via zogenaamde deelbetalingen, en meestal via loketcheques. Dergelijke betalingswijze zou enkel zijn vastgesteld voor de leverancier Y; andere leveranciers werden betaald via overschrijving en per factuur.

Voorts breidde de administratie op basis van dezelfde vaststellingen de onderzoekstermijn uit naar de aanslagjaren 2004 tot en met 2007; de administratie stelde immers te vermoeden dat de zogenaamde fraude zich ook in de voorgaande jaren heeft gemanifesteerd:  

  • “Er bestaan dus voor de boekjaren 2007 en 2008 (aanslagjaren 2008 en 2009) aanwijzingen van fraude, met name het inboeken van fictieve facturen van leverancier Y. Het vermoeden bestaat dat deze aanwijzingen van fraude zich ook in vroegere jaren hebben voorgedaan zodat de onderzoekstermijn wordt uitgebreid naar de aanslagjaren 2004, 2005, 2006 en 2007”.
De bewijstechniek van het feitelijk vermoeden houdt de redenering in die toelaat een onbekend feit af te leiden uit bekende feiten (art. 1349 B.W.). In de voornoemde kennisgeving hanteert de administratie deze bewijstechniek. Concreet leidt de administratie zoals geduid voor de aanslagjaren 2008 en 2009 het vermoeden van fictieve facturatie af uit zogenaamde “vaststellingen” (1e vermoeden). Deze redenering is op zich genomen rechtsgeldig op voorwaarde dat de zogenaamde vaststellingen van de administratie vaststaande en bekende feiten zijn.

Wanneer evenwel de administratie vervolgens er zondermeer van uitgaat dat de zogenaamde aanwijzingen van belastingontduiking met betrekking tot de aanslagjaren 2008 en 2009 ook bestaan voor de voorgaande aanslagjaren (2e vermoeden) rijzen er vragen omtrent het rechtsgeldig gebruik van de bewijstechniek van het feitelijke vermoeden. Er lijkt immers sprake van een verboden opeenstapeling of een cascade van vermoedens. Minstens het tweede vermoeden is namelijk niet gebaseerd op een bekend feit maar op een ander vermoeden. Dit wordt onder meer bevestigd, zij het telkens in een specifieke casus, door de hoven van beroep van Antwerpen, Bergen en Gent die in deze context spreken over een verboden extrapolatie van vermoedens (Antwerpen 5 juni 2007; Bergen 30 juni 2000; Gent 22 september 1995).

Een tweede casus betreft een vergelijkbaar dossier. De administratie verstuurde aan de belastingplichtige een voorafgaande kennisgeving inzake de uitbreiding van de onderzoekstermijn voor de aanslagjaren 2004, 2005, 2006 en 2007 die luidde als volgt:  

  • “Er bestaan dus voor de boekjaren 2007 en 2008 (aanslagjaren 2008 en 2009) aanwijzingen van fraude, met name het inboeken van fictieve facturen van leverancier Y. Teneinde na te gaan of deze aanwijzingen van fraude zich ook in vroegere jaren hebben voorgedaan wordt dan ook de onderzoekstermijn uitgebreid betreffende de aanslagjaren 2004, 2005, 2006 en 2007”.
In dit voorbeeld lijkt de schending van artikel 333, lid 3 WIB 92 ons nog flagranter. De administratie stelt immers zelf nog niet over aanwijzingen van belastingontduiking te beschikken voor het betrokken tijdperk, met name de aanslagjaren 2004 tot en met 2007. Zij meent enkel over aanwijzingen te beschikken met betrekking tot de aanslagjaren 2008 en 2009 en stelt in verband met de voorgaande aanslagjaren dienaangaande nog onderzoek te moeten verrichten. Wie erkent nog te moeten onderzoeken of er aanwijzingen van belastingontduiking bestaan met betrekking tot een bepaald tijdperk, erkent meteen voor dit tijdperk niet over dergelijke aanwijzingen te beschikken.

Het belang van de voorafgaande kennisgeving bij fraude mag niet worden onderschat: het betreft immers een bericht waarbij de administratie aanneemt dat er fraude in het spel is en waarbij om die reden de onderzoekstermijn met vier jaar wordt uitgebreid. Voor de belastingplichtige is het dan ook van cruciaal belang te (laten) verifiëren of deze kennisgeving wel aan alle wettelijke vereisten voldoet. Men dient er inzonderheid over te waken dat de zogenaamde aanwijzingen van fraude wel degelijk verband houden met het bedoeld tijdperk en niet met een andere periode; aanwijzingen van fraude kunnen ook niet zonder meer worden geëxtrapoleerd. De sanctie in geval de voorafgaande kennisgeving niet beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 333 WIB 92 is niet min; volgens vaststaande rechtspraak dienen de erna gestelde onderzoeksdaden en de erop volgende aanslag(en) immers te worden vernietigd.

 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.