De vennootschap bekostigt het kostuum van de bedrijfsleider: voordeel alle aard of niet?

De vennootschap bekostigt het kostuum van de bedrijfsleider: voordeel alle aard of niet?

05.05.2011
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) & Dries Verhaeghe (advocaat)

Het gebeurt nog al eens dat een vennootschap de kost op zich neemt van niet-specifieke beroepskledij voor haar bedrijfsleider. De vennootschap presenteert zich immers via haar bedrijfsleider en houdt er daarom aan om hem of haar passende kledij (kostuum, betere casual,...) ter beschikking te stellen.

Een uitgave voor niet-specifieke beroepskledij, zoals bijvoorbeeld een kostuum, dient in de fiscale aangifte van de vennootschap als een verworpen uitgave te worden opgenomen. Artikel 57, 3° WIB 92 voorziet immers in een specifieke aftrekuitsluiting voor niet-specifieke beroepskledij. Met specifieke beroepskledij wordt enkel kledij bedoeld die eigen is aan de job (bvb. veiligheidskledij). Over de verwerking als dusdanig bestond tot voor enkele jaren weinig discussie.

De administratie gaat op vandaag echter steeds meer op een andere wijze om met deze zaken. Zij beschouwt het dragen door de vennootschap van de kosten inzake kledij als een (aan de bedrijfsleider) toegekend voordeel van alle aard (waarvoor geen fiches zijn uitgereikt). Dit gaat terug op volgend standpunt van de Minister op een parlementaire vraag van 28 oktober 2009 van de heer Hamal:

"Alle voordelen die voortvloeien uit de tenlasteneming van privé-uitgaven van de werknemer door de werkgever, meer bepaald de aankoop van niet-specifieke beroepskledij, worden beschouwd als belastbare vergoedingen in hoofde van de werknemer.

Wanneer de kosten voor niet-specifieke beroepskledij die de werkgever voor zijn personeel koopt, aanleiding geven tot de belasting van een voordeel van alle aard in hoofde van de verkrijgers, hebben ze in dat geval de aard van een bezoldiging, waarvan het bedrag in principe aftrekbaar is in hoofde van de werkgever.

Hoe dan ook, als bepaalde uitgaven als verworpen uitgaven worden beschouwd, kunnen ze nog altijd als een bij de werknemer belastbaar voordeel van alle aard worden aangemerkt."

De uitgaven die de vennootschap heeft gedaan voor niet-specifieke beroepskledij, kunnen ons inziens evenwel nooit automatisch als een belastbaar voordeel van alle aard worden beschouwd in hoofde van de bedrijfsleider. Enkel indien en in de mate er sprake is van een voordeel voor de bedrijfsleider op privé-matig vlak, kan een voordeel alle aard weerhouden worden.

Het is onbetwist dat de administratie dit vermeend privé-matig voordeel in hoofde van de bedrijfsleider dient te bewijzen. De administratie dient immers zelf de inkomsten van de bedrijfsleider te bewijzen in zoverre deze niet zijn aangegeven.

Onder meer kan in dit verband verwezen worden naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 december 2007. In de zaak die voor het Hof werd voorgelegd had de administratie zonder meer aangenomen dat uitgaven door de vennootschap gedragen voor niet-specifieke beroepskledij voor bedrijfsleiders, louter omwille van hun aard, de bedrijfsleiders ten goede zouden komen. Het Hof heeft wat dit betreft expliciet gesteld dat dit gegeven op zich - de aard van de uitgave als niet-specifieke beroepskledij - onvoldoende is om aan te nemen dat de bedrijfsleider hieruit een belastbaar voordeel zou hebben gehaald. Het administratief dossier bevatte volgens het Hof immers geen stukken waaruit blijkt dat de uitgaven aan de bedrijfsleiders privé-matig ten goede zijn gekomen. Het Hof besloot in deze zaak dat "de administratie in gebreke bleef aan te tonen dat de uitgaven in kwestie als voordelen alle aard in hoofde van de bedrijfsleider dienen te worden beschouwd terwijl zij daarvan de bewijslast draagt."

Overigens, bij een nauwgezette lezing van het standpunt dienaangaande van de Minister blijkt dat ook de Minister enkel spreekt van een belasting van een voordeel van alle aard voor zover er sprake is van "een voordeel voorvloeiende uit de tenlasteneming van privé-uitgaven voor de werknemer door de werkgever" meer bepaald van de niet-specifieke beroepskledij). Hij heeft daarbij niet gesteld dat er automatisch een voordeel van alle aard te weerhouden is.

Los van het bovenstaande inzake de bewijslast, komt het bewijs door de administratie van een voordeel niet evident voor in de mate de kledij bijdraagt tot de professionele presentatie van het bedrijf en haar bedrijfsleider (bvb. de bedrijfsleider die zich met passende zakelijke kledij dient te presenteren aan klanten). De bedrijfsleiders beschikken per veronderstelling zelf over privé-kledij die ze gebruiken in hun privé-tijd.

Het is met andere woorden niet omdat uitgaven in hoofde van een vennootschap te verwerpen zijn (omwille van een specifieke aftrekbeperking), dat dit op zich een belastbaar voordeel in hoofde van de bedrijfsleider met zich meebrengt. Het ene staat zelfs niet in verband met het andere.

Indien het vermeende privé-gebruik - en dus een genoten belastbaar voordeel -  in hoofde van een bedrijfsleider dan toch geheel of gedeeltelijk zou bewezen zijn en er sprake is van een belastbaar voordeel wordt de (bezoldigings)kost uiteraard aftrekbaar in hoofde van de vennootschap.

Vennootschappen presenteren zich dagdagelijks via hun bedrijfsleider/bestuurder en wensen daarom bij te dragen in hun vestimentaire presentatie. Daarbij een toegekend voordeel van alle aard bewezen achten in hoofde van de bedrijfsleider is lang niet evident, minstens geen automatisme.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.