De subsidiaire aanslag na het cassatiearrest van 10 oktober 2014 - missen is menselijk ?

De subsidiaire aanslag na het cassatiearrest van 10 oktober 2014 - missen is menselijk ?

Wanneer de rechtbank een aanslag vernietigt ingevolge een procedurefout van de fiscale administratie die geen betrekking heeft op verjaring dan kan de administratie aan de rechtbank een zogenaamde subsidiaire aanslag voorleggen, zelfs buiten de aanslagtermijnen (zie artikel 356 WIB 92).

Missen is menselijk en de filosofie van de wetgever daarbij is dat een belastingplichtige door een procedurefout van de fiscus niet mag ontsnappen aan wat hij verschuldigd is aan de Schatkist. Opdat de administratie een subsidiaire aanslag kan voorleggen aan de rechtbank dient er aan een reeks wettelijke voorwaarden te zijn voldaan. Er is ondermeer vereist dat de subsidiaire aanslag op naam is van dezelfde belastingschuldige. De subsidiaire aanslag die wordt voorgelegd mag ook niet zijn gebaseerd op andere belastingelementen dan deze waarop de initiële aanslag werd gevestigd. Het is verder noodzakelijk dat de administratie middels een directoriale beslissing heeft geantwoord op het bezwaarschrift dat door de belastingplichtige werd ingediend tegen de initiële aanslag. Bij gebreke aan dergelijke directoriale beslissing is een procedure subsidiaire aanslag aldus uitgesloten. De subsidiaire aanslag kan door de administratie slechts worden voorgelegd aan de rechtbank binnen een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing waarbij de aanslag werd vernietigd.

Er was lange tijd onzekerheid omtrent de vraag of de techniek van de subsidiaire aanslag veronderstelt dat de administratie voorgaand aan het voorleggen van een subsidiaire aanslag haar fout die heeft geleid tot de vernietiging van de initiële aanslag moet herstellen. Wanneer bij voorbeeld de aanslag werd vernietigd omdat de administratie haar bericht van wijziging van de aangifte niet heeft gemotiveerd, moet er dan een nieuw bericht van wijziging worden gestuurd? De rechtspraak en rechtsleer waren dienaangaande verdeeld. In een recent arrest van 10 oktober 2014 oordeelde Cassatie in essentie dat de bepalingen van art. 356 WIB 92 er toe strekken het voeren van een geheel nieuwe procedure te vermijden en door een versnelde procedure een uitspraak te verkrijgen over de verschuldigdheid van de belasting. Daaruit volgt volgens het Hof dat de bevoegdheid van de administratie beperkt is tot het vestigen van de subsidiaire aanslag zonder dat zij zich mag uitspreken over de uitvoerbaarverklaring ervan; het is de rechter die oordeelt over de wettigheid en de gegrondheid van de aanslag. De administratie mag zich volgens Cassatie ertoe beperken de aanslag aan de rechter ter beoordeling voor te leggen. Uit dit arrest lijkt te moeten worden afgeleid dat de administratie niet verplicht is om de procedure van vestiging van aanslag volledig opnieuw te doorlopen.

Het arrest van het Hof van Cassatie bevestigt weliswaar rechtspraak van het hof van beroep van Gent doch verrast enigszins. Door ondermeer het hof van beroep van Antwerpen, door gezaghebbende rechtsleer, in de voorbereidende werken, de Memorie van Toelichting, door de Minister van Financiën en in de administratieve commentaren werd immers wel degelijk het standpunt ingenomen dat de techniek van de subsidiaire aanslag impliceert dat de fout die heeft geleid tot de vernietiging van de aanslag moet worden hersteld. Art. 356 WIB 92 maakt ook deel uit van het hoofdstuk in het Wetboek van Inkomstenbelastingen inzake de aanslagtermijnen waarbinnen de subsidiaire aanslag inzonderheid een uitzondering vormt op de normale aanslagtermijnen. Artikel 356 WIB 92 lijkt geen afbreuk te doen aan de regels onder het hoofdstuk inzake de aanslagprocedure met betrekking tot ondermeer het bericht van wijziging van de aangifte en de kennisgeving van beslissing tot taxatie.

De fiscale procedureregels zijn er ook niet zomaar en bestaan wel degelijk ter bescherming van een wel bepaald belang. Zo moet de administratie, vooraleer een aanslag te kunnen vestigen op grond van gewijzigde elementen ten aanzien van de aangifte, de belastingplichtige middels een bericht van wijziging voldoende gemotiveerd op de hoogte brengen van haar voornemen. Dit moet de belastingplichtige toelaten hiertegen te reageren en een dialoog op te starten met de administratie. De administratie is ook verplicht uiterlijk de dag van de vestiging van de aanslag aan de belastingplichtige een zogenaamde kennisgeving van beslissing tot taxatie toe te sturen. Daarin moet de administratie de belastingplichtige laten weten om welke redenen zij geen rekening houdt met de door hem gemaakte opmerkingen. Dit moet de belastingplichtige toelaten te beslissen om al dan niet de aanslag verder te betwisten door middel van een bezwaarschrift of later voor de fiscale rechtbank. Het betreft telkens substantiële formaliteiten waarvan de niet-naleving ervan in de nietigheid van de aanslag resulteert.

Het is correct dat de belastingplichtige binnen de procedure van de subsidiaire aanslag, dit is in het kader van een nog lopend geschil voor een rechtbank, wordt toegelaten zijn opmerkingen te maken en zijn rechten van verdediging uit te oefenen. Evenwel schuilt het gevaar om de hoek dat substantiële fiscale procedureregels worden uitgehold, wanneer moet worden aangenomen dat de administratie aan de rechtbank een subsidiaire aanslag kan voorleggen zonder dat de fout die heeft aanleiding gegeven tot de vernietiging van de aanslag, moet worden hersteld. Er zullen immers ongetwijfeld ambtenaren zijn die bewust dan wel onbewust minder aandacht zullen besteden aan een grondige motivering van hun bericht van wijziging of van hun kennisgeving van beslissing tot taxatie. Zijn zullen immers ageren vanuit de wetenschap dat bij een eventuele fout in dit verband die leidt tot de vernietiging van de aanslag door de rechtbank, de administratie zich kan beperken tot het zondermeer voorleggen van een subsidiaire aanslag. Intussen is de belastingplichtige wel definitief het recht ontnomen om vooraleer een gerechtelijke procedure op te starten, met afdoende kennis van zaken een debat aan te gaan met de taxatiediensten. Een debat dat desgevallend kon hebben geleid tot een al dan niet gedeeltelijk akkoord of tot het inzicht in hoofde van de administratie of van de belastingplichtige van de juistheid van het standpunt van de andere partij waardoor verder procederen overbodig wordt.

In het licht hiervan lijkt enkel te kunnen worden vastgesteld dat de schade ten gevolge van een procedurefout vanwege de administratie die leidt tot de vernietiging van de aanslag door de rechtbank, volledig ten laste wordt gelegd van de belastingplichtige. Laatstgenoemde wordt immers geconfronteerd met een nieuwe aanslag, met een verlenging van de procedure en met het feit dat hij de beweegredenen van de administratie desgevallend zal moeten afleiden uit andere stukken dan het bericht van wijziging of de kennisgeving van beslissing tot taxatie (zoals de besluiten die de administratie heeft genomen voor de rechtbank).

Een belastingplichtige die bij voorbeeld geen of een slecht gemotiveerd bericht van wijziging heeft ontvangen dat uiteindelijk aanleiding heeft gegeven tot een vernietiging van de aanslag door de rechtbank waarbij zondermeer een subsidiaire aanslag door de administratie wordt voorgelegd, heeft ook zeker niet zijn rechten van verdediging op dezelfde wijze kunnen uitoefenen als een belastingplichtige die het voorwerp uitmaakt van een procedure zonder fouten en zonder subsidiaire aanslag. Laatstgenoemde heeft zich immers van bij aanvang, vanaf het bericht van wijziging en vóór taxatie naar behoren kunnen verdedigen wat zeker niet het geval is bij de eerstgenoemde belastingplichtige. De wetgever zou daarom kunnen voorzien in een soort tegemoetkoming door de fiscale administratie aan de belastingplichtige wanneer een aanslag wordt vernietigd wegens procedurefouten. Deze zou bij voorbeeld de vorm kunnen aannemen van een forfaitaire schadevergoeding, een verdubbeling van de door de belastingplichtige te ontvangen rechtsplegingsvergoeding of een verval van de in principe door hem te betalen rechtsplegingsvergoeding.

Wanneer de rechtbank een aanslag vernietigt ingevolge een procedurefout van de fiscale administratie die geen betrekking heeft op verjaring dan kan de fiscus onder bepaalde voorwaarden een zogenaamde subsidiaire aanslag voorleggen aan de rechtbank. Uit een recent cassatiearrest lijkt te moeten worden afgeleid dat de administratie haar fout die leidde tot de vernietiging niet hoeft te herstellen bij de toepassing van de techniek van de subsidiaire aanslag. Daardoor dreigt het gevaar dat procedureregels worden uitgehold. Belastingplichtigen die het voorwerp uitmaken van een subsidiaire aanslag lijken op die manier niet hun rechten van verdediging op dezelfde wijze te kunnen uitoefenen als een belastingplichtige bij wie de administratie de procedureregels niet heeft geschonden. De wetgever zou daarom in een compensatie kunnen voorzien onder de vorm van een schadevergoeding of op het vlak van de rechtsplegingsvergoeding. Wordt wellicht vervolgd.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.