De story inzake het verhoogd tarief voor notionele intrestaftrek voor “kleine vennootschappen”: rechtbank van brugge schrijft positief vervolgverhaal

De story inzake het verhoogd tarief voor notionele intrestaftrek voor “kleine vennootschappen”: rechtbank van brugge schrijft positief vervolgverhaal

Brandend actueel in de fiscale betwistingen is de vraag wanneer er in fiscalibus sprake is van een “kleine vennootschap” indien de betrokken vennootschap tot een vennootschappen-groep behoort. De fiscale wetgever heeft immers voorzien in diverse fiscale gunstmaatregelen ten voordele van zogenaamde “kleine vennootschappen”. Onder meer en in het bijzonder kan dan worden gedacht aan het verhoogd tarief (basistarief + 0,50 %) voor notionele intrestaftrek voor kleine vennootschappen (artikel 205 quater § 6 WIB 92).

Wat dit betreft verwijzen wij graag integraal naar de vorige editie van onze nieuwsbrief (TFI april 2011, rubriek Geschillen en Fiscaliteit, “Verhoogde notionele intrestaftrek en de kleine vennootschap: eerste rechtspraak verdeeld”).

In een notendop gesteld kunnen de uiteenlopende standpunten voor aanslagjaar 2009 en vorige als volgt worden samengevat:

  • de belastingplichtigen gaan uit van de klare en duidelijke fiscale wetsbepalingen (waarin ter beoordeling van het begrip “kleine vennootschap” louter en uitdrukkelijk wordt verwezen naar de in artikel 15 § 1 W. Venn. opgenomen niet-geconsolideerd te beoordelen criteria) en besluiten op basis van het grondwettelijk verankerd legaliteitsbeginsel dat in die zin de criteria inzake “kleine vennootschappen” op niet-geconsolideerde basis moeten worden getoetst; de rechtbank van Luik (vonnis 17 februari 2010) volgt dit standpunt en ook in de vakliteratuur is men dit standpunt bijzonder genegen;
     
  • de fiscus meent dat die zelfde fiscale wetsbepalingen voor interpretatie vatbaar zouden zijn en verwijst in die zin naar de parlementaire voorbereidingen en een standpunt van de Minister dienaangaande; aan de hand van deze interpretatiewijze besluit de fiscus dat de criteria inzake “kleine vennootschappen” op geconsolideerde basis moeten worden getoetst met verwijzing naar artikel 15 § 5 W. Venn. (waarnaar in de fiscale wetteksten tot en met het aanslagjaar 2009 nochtans geenszins wordt verwezen ter beoordeling van het begrip “kleine vennootschap”); de rechtbank van Hasselt (vonnis 4 maart 2011) is klaarblijkelijk deze zienswijze genegen.
Meest recent heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zich over deze kwestie uitgesproken in een voor de belastingplichtige positieve zin. De rechtbank windt er bij vonnis van 18 mei 2011 allerminst doekjes om en stelt de volgende glasheldere en onderbouwde principes voorop bij de beoordeling van het begrip “kleine vennootschap” in functie van het verhoogd tarief voor notionele intrestaftrek in de periode tot en met aanslagjaar 2009:
 
  • artikel 205 quater § 6 WIB 92 is KLAAR en DUIDELIJK en verwijst uitdrukkelijk ALLEEN naar artikel 15 § 1 W. Venn. om te beoordelen of een vennootschap al dan niet als een kleine vennootschap wordt aangemerkt;
  • ter bepaling van het begrip “kleine vennootschap” moet men zich dan ook niet bekommeren om § 2 tot § 6 van artikel 15 W. Venn.; elke verwijzing in artikel 205 quater § 6 WIB 92 naar deze overige paragrafen ontbreekt immers;
  • artikel 205 quater § 6 WIB 92 betreft een DUIDELIJKE FISCALE WETTEKST die overeenkomstig vaststaande cassatie-rechtspraak geen interpretatie behoeft en GEEN AANVULLING toelaat; in die zin kunnen bij voorbeeld parlementaire voorbereidingen bij de wet en/of Ministeriële standpunten niet aangevoerd worden tegen een dergelijke duidelijke fiscale wetsbepaling;
  • door een berekening door te voeren op geconsolideerde basis met verwijzing naar artikel 15 § 5 W. Venn. voegt de administratie op ongeoorloofde wijze een extra voorwaarde toe aan de wet om als “kleine vennootschap” in aanmerking te worden genomen en schendt zij artikel 205 quater § 6 WIB 92 (met de nietigheid van daarop gebaseerde aanvullende aanslagen tot gevolg).
De rechtbank van eerste aanleg van Brugge heeft bij vonnis van 18 mei 2011 op onderbouwde wijze en in niet mis te verstane bewoordingen gesteld dat de beoordeling van het begrip “kleine vennootschap” in functie van het verhoogd tarief voor notionele intrestaftrek tot en met het aanslagjaar 2009 op niet-geconsolideerde basis moet gebeuren. De rechtbank verwijst hiertoe naar de duidelijke fiscale wettekst terzake en houdt zich met andere woorden zoals verhoopt – in tegenstelling tot de fiscus – aan het grondwettelijk verankerd legaliteitsbeginsel. Ook al is het pleit met deze uitspraak mogelijk niet definitief beslecht en ook al blijft het afwachten hoe de fiscus en de andere rechtbanken en hoven met deze uitspraak zullen omgaan, de rechtspraak gaat de goede richting uit voor de belastingplichtige.

Een kopij van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brugge van 18 mei 2011 kan worden bekomen via katleen.van.loosveldt@imposto.be.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.