De pensioenbelofte van de bedrijfsleider in tijden van crisis: bevries voor u verliest

De pensioenbelofte van de bedrijfsleider in tijden van crisis: bevries voor u verliest

07.05.2010
Jan Sandra (Advocaat-vennoot), Alexander Loobuyck (Advocaat)

Een onderhandse pensioenbelofte is een overeenkomst gesloten tussen de vennootschap en haar bedrijfsleider om hem bij zijn pensionering een aanvullend pensioen toe te kennen.

Deze pensioenbelofte kan op twee manieren worden gefinancierd. Een eerste mogelijkheid is dat de vennootschap premies stort aan een verzekeringsmaatschappij in uitvoering van een bedrijfsleidersverzekering. Ze krijgt dan zelf een kapitaal op het moment dat ze het pensioenkapitaal aan de bedrijfsleider dient te betalen. Een tweede mogelijkheid is dat de vennootschap zelf instaat voor de financiering van de pensioenbelofte. In dat geval verplicht de boekhoudwet de vennootschap om een voorziening aan te leggen om uit te drukken dat ze een waarschijnlijke pensioenschuld heeft.

Fiscaal gezien is zo'n pensioenbelofte voordeliger dan een bezoldiging voor de bedrijfsleider omdat ze slechts belast wordt aan 16,5% (vermeerderd met een paar andere taksen, samen 20% - 25%) in plaats van de gebruikelijke progressieve tarieven (tot 50% met aanvullende gemeentebelasting en sociale bijdragen) op een gewone bezoldiging.

De aanleg van een pensioenvoorziening is fiscaal vrijstelbaar voor de vennootschap. In vergelijking met de bezoldiging is er voor de pensioenbelofte echter een extra voorwaarde aan die aftrekbaarheid gekoppeld, met name dat ze de zogenaamde 80%-grens niet mag overschrijden.

Deze 80%-grens houdt in dat het totaal van het wettelijk en aanvullend pensioen van de tweede pijler samen niet meer dan 80% van de laatste brutojaarbezoldiging mag bedragen, in de veronderstelling dat het aanvullend pensioenkapitaal wordt uitbetaald als een rente. Deze 80%-grens moet jaarlijks worden getoetst. De voorziening kan fiscaal slechts vrijgesteld worden in de mate dat de 80%-grens niet is overschreden.

Wanneer het pensioenkapitaal verschuldigd wordt, dan moet de voorziening worden teruggenomen en wordt de pensioenschuld geboekt als een vaststaande schuld (met een kost voor de vennootschap als gevolg). In de mate dat de voorziening vrijgesteld is geweest, wordt ze nu belastbaar maar tegelijk gecompenseerd door een kost. Deze pensioenkost is maar aftrekbaar in de mate dat ze voldoet aan de 80%-grens.

Belangrijk is dat bij berekening van de fiscale aftrekbaarheidsgrens telkenmale wordt uitgegaan van de 'laatste normale brutojaarbezoldiging'. In crisissituaties zoals op vandaag kan het zijn dat het bezoldigingspakket van de bedrijfsleider in het belang van de vennootschap tijdelijk teruggeschroefd wordt of zelfs op nul gebracht. De vraag stelt zich welke impact dit heeft op de pensioenbelofte (80% x 0 EUR bezoldiging = 0 EUR pensioen). Voorts is er de vraag naar de fiscale gevolgen van deze opnulzetting. De berekening van de maximaal vrijstelbare pensioenvoorziening op basis van de 80%-grens dreigt immers nihil te zijn.

Vooreerst dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de pensioenbelofte waarbij aan de bedrijfsleider bij pensionering een pensioenkapitaal in functie van de laatste brutojaarbezoldiging wordt beloofd en deze waarbij dit niet het geval is (bv. vast bedrag).

Wanneer het toegezegde pensioenkapitaal gekoppeld is aan de laatste brutojaarbezoldiging, dan zal er geen pensioen meer toegekend worden wanneer de bezoldiging van de bedrijfsleider nul wordt (80% x 0 EUR bezoldiging = 0 EUR pensioenkapitaal). Bijgevolg moet de pensioenvoorziening boekhoudkundig teruggenomen worden.

Wanneer het beloofde pensioenkapitaal niet gekoppeld is aan de laatste brutojaarbezoldiging, dan blijft de bedrijfsleider zijn aanspraken behouden ingeval zijn bezoldiging op nul gezet wordt. De pensioenvoorziening moet boekhoudkundig dan ook behouden worden.

Vervolgens is er dus de vraag naar de fiscale gevolgen. In het eerste geval zal de onmiddellijke uitboeking van de voorziening tot gevolg hebben dat ze onmiddellijk belastbaar wordt, terwijl het net de bedoeling was voor de vennootschap om te kunnen besparen door de opnulzetting van de bezoldiging van de bedrijfsleider. In het tweede geval, waarbij de voorziening blijft bestaan,  lijkt zij fiscaal ook te kunnen worden behouden. Evenwel zal dit slechts tijdelijk soelaas bieden. Op het moment van uitkering van het pensioenkapitaal zal de voorziening immers worden teruggenomen en belastbaar worden zonder dat de uitkering zelf in een volledig aftrekbare kost zal resulteren (cf. toetsing aan de 80%-grens). Daarenboven zal elke nieuwe aangroei van de voorziening die meer dan 80% van de laatste brutojaarbezoldiging bedraagt niet vrijstelbaar zijn in hoofde van de vennootschap.

Moet de vennootschap naast de crisis ook de bittere pil slikken van deze bijkomende belastingschuld? Onder meer als de bezoldiging (hopelijk tijdelijk) is gereduceerd omwille van de uitzonderlijke omstandigheden van de crisis, dan is het antwoord alvast neen! Hij/zij moet niet bij de pakken blijven zitten en kan zowel het reeds opgebouwde pensioen veiligstellen als vermijden dat de vennootschap geteisterd wordt door een extra belasting in armlastige tijden.

Het is duidelijk dat de 80%-grens moet getoetst worden aan de bezoldiging. Het is problematisch als ze moet getoetst worden aan de huidige lagere bezoldiging. Er is geen probleem als ze zou moeten getoetst worden aan de vorige hogere bezoldiging. Mede gelet op het feit dat de verlaging van de huidige bezoldiging teruggaat op externe omstandigheden kan men zich de vraag stellen of men de 80%-grens niet kan blijven toetsen aan de vorige hogere bezoldiging.

De wet verwijst voor de toepassing van de 80%-grens naar de laatste normale brutojaarbezoldiging. Bijgevolg kan dus verwezen worden naar de vroegere hogere bezoldiging indien de huidige bezoldiging als abnormaal wordt aanzien en de vorige als normaal. Een recente ruling (Voorafgaande beslissing nr. 900.290 dd. 13.10.2009) heeft aangetoond dat economische omstandigheden soms van die aard kunnen zijn dat een tijdelijke reductie van de bezoldiging als abnormaal beschouwd kan worden en de vorige hogere bezoldiging dus als normaal. Dit brengt een dubbel voordeel met zich mee want enerzijds zal de voorziening vrijstelbaar blijven en anderzijds zal de uitkering ervan aftrekbaar zijn. Het valt echter aan te bevelen om op veilig te spelen en proactief een dossier samen te stellen die de abnormaliteit van de nulbezoldiging aantoont. Als de bezoldiging van de bedrijfsleider fluctueert en als er een pensioenbelofte werd toegezegd, dan doet u er sowieso best aan om deze even na te zien.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.