De monsterbelasting van 309 % naar 103 % - de archieven induiken met het oog op ambtshalve ontheffing?

De monsterbelasting van 309 % naar 103 % - de archieven induiken met het oog op ambtshalve ontheffing?

De bijzondere aanslag geheime commissielonen is van toepassing op beroepsmatige vergoedingen en voordelen van alle aard die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave evenals op verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op bepaalde financiële voordelen (art. 219 WIB 92). Zoals bekend werd ingevolge de Programmawet van 19 december 2014 de regeling inzake de bijzondere aanslag geheime commissielonen drastisch aangepast. De belangrijkste wijzing betreft ongetwijfeld het tarief van de zogenaamde "monsterbelasting" dat van 309 % werd herleid tot 103 %, en in sommige gevallen zelfs naar 51,5 %. De nieuwe regeling is in werking getreden op 29 december 2014 en is van toepassing op alle geschillen die op deze datum "nog niet definitief afgesloten waren".

Naar aanleiding van een recent arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 24 mei 2016 rijst de vraag of de belastingplichtige er geen belang bij heeft te laten verifiëren of voor oude dossiers alwaar het tarief van 309 % werd toegepast alsnog het verlaagde tarief van 51,5% kan worden geclaimd.

In het wetboek van inkomstenbelastingen is immers voorzien dat de fiscale administratie ambtshalve ontheffing verleent voor bepaalde overbelastingen. Het betreft ondermeer die overbelastingen die voorvloeien uit nieuwe stukken of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen ervan door de belastingplichtige wordt verantwoord door gewettigde redenen. Daartoe kan een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing worden ingediend. Enkele van de voorwaarden zijn dat dit verzoekschrift moet worden ingediend uiterlijk binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is ingekohierd en dat de aanslag niet reeds het voorwerp mag zijn geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond (art. 376 §1 WIB 92).

Het Antwerpse hof oordeelde in voornoemd arrest, zij het in een casus met een specifiek procedurerelaas, dat de voornoemde tariefwijziging - dat zoals gezegd van toepassing is op nog niet definitief afgesloten geschillen op datum van 29 december 2014 - als een nieuw feit kwalificeert waarvan de laattijdige inroeping wordt verantwoord door gewettigde redenen. Noch de fiscus noch de belastingplichtige konden destijds op het moment van het vestigen van de bijzondere aanslag geheime commissielonen immers weten dat het tarief van deze aanslag zou worden gewijzigd door de Wet van 19 december 2014. Het Antwerpse hof neemt daarmee een ander standpunt in dan dat van de fiscale administratie in haar circulaire omtrent de bijzondere aanslag (Ci.RH.421/636.468 van 11 juni 2015).

In het licht van het voorgaande komt het aangewezen voor om voor bijzondere aanslagen geheime commissielonen die destijds niet werden betwist thans een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing in te dienen met betrekking tot de tariefwijziging wanneer de voornoemde termijn van 5 jaar daartoe  nog niet is verstreken. In deze hypothese van een destijds niet betwiste aanslag zal immers evenzeer voldaan zijn aan de voorwaarde dat de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond van de zaak. In dit verband kan overigens worden opgemerkt dat de Minister van Financiën destijds heeft bevestigd dat de nieuwe regeling ook van toepassing is op geschillen aangaande het verleden die op 29 december 2014 nog niet zijn ontstaan, zij het dat de Minister wellicht de nog te vestigen aanslagen voor ogen had en niet zozeer de verzoeken tot ambtshalve ontheffing die eventueel zouden kunnen volgen (Parl. Vr. nr. 1625 van de heer Van Biesen van 28 januari 2015). 

Bovendien lijkt het evenzeer aangewezen een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing in te dienen voor de bijzondere aanslagen geheime commissielonen die destijds wèl werden betwist middels een bezwaarschrift mits uiteraard opnieuw aan de termijnvoorwaarde is voldaan. De directoriale beslissing die desgevallend zal zijn gevolgd zal immers nooit betrekking kunnen hebben gehad op de latere wetswijziging inzake het tarief. Er kan bijgevolg worden aangenomen dat ook in die gevallen is voldaan aan de voorwaarde dat er nog geen bezwaarschrift is geweest dat aanleiding heeft gegeven tot een beslissing omtrent de grond van de zaak. In dit verband bestaat er rechtspraak en rechtsleer die stelt dat het er niet op aan komt te weten of er en beslissing is gevolgd (formeel criterium) maar dat het wel zaak is te weten of de nieuwe betwisting geen afbreuk doet aan hetgeen reeds definitief werd beslist (materieel criterium) (zie bv Luik 15 juni 2005).

Zoals bekend werd in 2014 de regeling inzake de bijzondere aanslag geheime commissielonen in belangrijke mate aangepast. De belangrijkste wijzing betreft ongetwijfeld het tarief dat van 309 % werd herleid tot 103 %, en in sommige gevallen zelfs naar 51,5 %. Naar aanleiding van een recent arrest van het Antwerpse hof komt het verdedigbaar voor om, mits een aantal voorwaarden zijn vervuld, voor die dossiers die vóór de wetswijziging werden behandeld aan een tarief van 309 %, middels een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing alsnog het verlaagde tarief te claimen.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.