De landbouwvennootschap - een opportuniteit ?

De landbouwvennootschap - een opportuniteit ?

Het landbouwbedrijf neemt steeds vaker de vorm aan van een vennootschap. Naast de traditionele vennootschapsvormen als de naamloze vennootschap (‘nv’) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (‘bvba’), is ook de landbouwvennootschap (‘LV’) populair.

De laatste vijf jaar verdubbelde het aantal landbouwvennootschappen in Vlaanderen. Momenteel maken landbouwvennootschappen twintig procent uit van alle vennootschappen in de land- en tuinbouwsector. Deze opmars is des te opmerkelijker nu het aantal landbouwbedrijven afneemt en de bewerkte oppervlakte per onderneming stijgt.

De landbouwvennootschap is een burgerlijke vennootschap met rechtspersoonlijkheid die de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf tot doel heeft. De beherende vennoten zijn onbeperkt aansprakelijk en de kapitaalverstrekkers -stille vennoten- zijn slechts aansprakelijk ten belope van hun inbreng. Hierin gelijkt de landbouwvennootschap op de gewone commanditaire vennootschap (‘Comm. V.’).

De voordelen van de landbouwvennootschap zijn divers:
 

  • De landbouwvennootschap heeft rechtspersoonlijkheid en kan aldus als afzonderlijke entiteit aan het rechtsverkeer deelnemen. Gelet op haar burgerlijke aard, is de landbouwvennootschap evenwel niet onderworpen is aan de faillissements- of boekhoudwetgeving.  
  • Deze vennootschapsvorm faciliteert de samenwerking tussen een kapitaalverstrekker (stille vennoot) en de landbouwer (beherende vennoot). De landbouwer geniet een gegarandeerd minimuminkomen en beslist mee over de toetreding van eventuele nieuwe beherende vennoten. De kapitaalverstrekker is slechts aansprakelijk ten belope van zijn inbreng en verzekert zich van de inzet van de beherende vennoot.  
  • Het belangrijkste voordeel is de fiscale flexibiliteit. Er is keuze tussen drie fiscale regimes: de vennootschapsbelasting, de personenbelasting gebaseerd op werkelijke winst en de personenbelasting met toepassing van het landbouwforfait. Daarenboven kan jaar na jaar van het ene naar het andere regime worden geswitcht, met dien verstande dat de keuze voor de vennootschapsbelasting onherroepelijk is voor een cyclus van drie opeenvolgende belastbare periodes.  
  • De landbouwvennootschap brengt weinig kosten met zich mee. De landbouwvennootschap heeft opmerkelijk weinig boekhoudkundige verplichtingen en geniet op het vlak van de BTW van de bijzondere landbouwregeling.  
  • Daarenboven kan de landbouwvennootschap met een laag minimumkapitaal worden opgericht (€ 6.150), wat de instapdrempel verlaagt. Indien er gekozen wordt voor de vennootschapsbelasting dient de landbouwvennootschap minstens drie in plaats van twee vennoten te tellen en dient het maatschappelijk kapitaal minstens € 30.950 te bedragen.  
  • Ook op het familiaal vlak is de oprichting van een landbouwvennootschap een aantrekkelijk gegeven. Dankzij de mogelijkheid tot uitgifte van aandelen of deelbewijzen worden problemen op erfrechtelijk niveau grotendeels vermeden (oa. de verdeling in natura) en overdrachten eenvoudiger gemaakt.  
  • Tot slot sluit de landbouwvennootschap nauw aan bij de randwetgeving. Zo gelden er soepele regels in het kader van de VLIF-steun en de pachtwetgeving.
Een belangrijke beperking van de toepassing ervan is het doel van de landbouwvennootschap. De wet schrijft voor dat de landbouwvennootschap enkel de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf tot doel mag hebben. Het begrip ‘land- of tuinbouwbedrijf’ wordt door de wetgever niet gedefinieerd.

Ons inziens kan de landbouwvennootschap naast de traditionele land- en tuinbouwactiviteiten ook alle activiteiten uitoefenen die verband houden met de specifieke land- en tuinbouwactiviteiten. Onder deze bijkomstige activiteiten worden onder meer begrepen: de verwerking en commercialisering van melk, tabak, groenten, fruit … De enige beperking die wordt gesteld bij deze bijkomstige activiteiten is dat ze niet mogen primeren op de specifieke land- en tuinbouwactiviteiten en daarenboven enig verband moeten houden met de specifieke land- en tuinbouwactiviteiten. Op die manier lijkt de landbouwvennootschap toch enigszins in het vaarwater van de handelsvennootschappen te komen.

De vereiste van ‘bijkomstigheid’ kan geïllustreerd worden met het voorbeeld van een landbouwer die hoevetoerisme organiseert. Daarbij worden ongetwijfeld daden van koophandel gesteld: verstrekken van maaltijden, overnachtingen, enz. ... Er dient concreet te worden nagegaan hoe deze handelsactiviteit zich in frequentie en omvang verhoudt tot de specifieke landbouwactiviteit. De rechter zal aan de hand van onder meer de omzet, de ingezette middelen en de graad van afhankelijkheid al dan niet tot de bijkomstigheid van de handelsactiviteiten besluiten. Indien de landbouwer aantoont dat zijn handelsactiviteit ondergeschikt is aan zijn landbouwactiviteit, dan kunnen beiden door de landbouwvennootschap worden uitgeoefend en zullen zij samen het gekozen fiscale regime van de landbouwvennootschap ondergaan.

Het aantal landbouwvennootschappen kent de laatste jaren een sterke stijging. Vooral de fiscale flexibiliteit is een bijzondere troef. Naast de specifieke land- en tuinbouwactiviteiten kan de landbouwvennootschap ook alle daarmee verbonden activiteiten uitoefenen. De verwerking en commercialisering van de land- en tuinbouwproducten zijn toegelaten in de mate dat deze handelingen niet primeren op de specifieke land- en tuinbouwactiviteiten en enig verband houden met de land- en tuinbouwactiviteiten. Het loont de moeite om deze vennootschapsvorm te overwegen voor de exploitatie van land- en tuinbouwactiviteiten, al dan niet in combinatie met bijkomstige activiteiten.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.