De belgische salduz-wet en het evrm - gewikt en gewogen ...

De belgische salduz-wet en het evrm - gewikt en gewogen ...

In het inmiddels beroemde Salduz-arrest van 27 november 2008 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat een verdachte vanaf het eerste politieverhoor recht heeft op de bijstand van een advocaat. Dit arrest is gebaseerd op basis van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) inzake het recht op een eerlijk proces. De zogenaamde Salduz-leer werd inmiddels in tal van arresten bevestigd. Uit deze rechtspraak valt af te leiden dat het recht op bijstand van een advocaat bij een verhoor impliceert dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor een raadsman kan consulteren en dat hij vanaf de aanvang van het verhoor met zijn raadsman overleg kan voeren; deze raadsman moet tijdens het verhoor aanwezig kunnen zijn en werkelijke rechtsbijstand kunnen leveren. Er is met andere woorden zowel een consultatierecht als een bijstandsrecht.

Het Salduz-arrest zette Justitie in rep en roer. Er ontstonden tal van discussies tussen de diverse actoren van Justitie. Zo ondermeer of de bijstand van de advocaat diende te worden beperkt tot het politieverhoor met uitsluiting van het verhoor door de onderzoeksrechter en of de bijstand al dan niet beperkt bleef voor deze situaties waarin de verdachte van zijn vrijheid is beroofd. De orde van advocaten werd een te maximalistische interpretatie van de Salduz-leer verweten, het openbaar ministerie daarentegen een te minimalistische. Volgens de Minister van Justitie diende de Belgische wetgever de tussenweg op te zoeken waarbij rekening moest worden gehouden met de toetst aan het Salduz-arrest, de werkbaarheid van de wet op het terrein en de budgettaire impact.

Inmiddels heeft de wetgever de Salduz-leer geïmplementeerd in de Belgische wetgeving; op
5 september 2011 werd de Wet van 13 augustus 2011 tot wijziging van de Wet betreffende de voorlopige hechtenis en van het Wetboek van strafvordering gepubliceerd. Deze wet treedt in werking uiterlijk
1 januari 2012
afhankelijk van een Koninklijk Besluit dat dienaangaande zal worden gepubliceerd. In deze zogenaamde Salduz-wet wordt er een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de niet-gearresteerde verdachte en anderzijds de gearresteerde verdachte.

Een niet-gearresteerde verdachte kan voorafgaand aan het verhoor overleg plegen met zijn advocaat. Alleen wie verdacht wordt van een misdrijf waarvoor hij kan aangehouden worden heeft dit recht; het moet aldus gaan om misdrijven waarop een gevangenisstraf van een jaar of meer staat. Ook verkeersmisdrijven zijn uitgesloten. Indien de verdachte schriftelijk tot een verhoor wordt uitgenodigd waarbij hij in de uitnodiging op zijn rechten wordt gewezen, dient hij vooraleer hij zich op het politiekantoor aanbiedt, zelf in te staan voor een overleg met zijn advocaat. Enkel indien de uitnodiging tot verhoor niet alle noodzakelijke vermeldingen bevat (zoals de verwijzing naar het zwijgrecht en het recht op een voorafgaandelijk overleg met een advocaat) of wanneer het verhoor gebeurt zonder uitnodiging kan het verhoor op verzoek van de verdachte eenmalig worden uitgesteld teneinde hem toe te laten voorafgaandelijk een advocaat te raadplegen. Verder heeft een niet-gearresteerde verdachte geen recht op bijstand van de advocaat tijdens zijn verhoor.
 
Een gearresteerde verdachte heeft vanaf de vrijheidsberoving en vóór het politieverhoor het recht om zijn advocaat te raadplegen. De strafprocedure die erin voorziet dat de arrestatie maximum 24 uur kan duren zorgt voor tijdsdruk, zij het dat thans erin is voorzien dat de onderzoeksrechter deze periode éénmalig kan verlengen met 24 uur in geval er ernstige aanwijzingen zijn van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf, of nog bij bijzondere omstandigheden. De advocaat moet binnen 2 uur ter plaatse zijn en het voorafgaandelijk overleg mag maximaal 30 minuten duren. Het verhoor kan worden gestart wanneer het voorafgaandelijk overleg met de advocaat niet binnen de voornoemde tijdspanne kan worden georganiseerd, zij het dan enkel nadat door de verdachte een vertrouwelijk overleg met de permanentiedienst van de orde van advocaten werd gepleegd (deze permanentiedienst wijst een advocaat toe wanneer de verdachte zelf geen advocaat kiest of wanneer de gekozen advocaat is verhinderd). Tijdens het verhoor kan de advocaat er op toe zien dat er behoorlijk kennis wordt gegeven van de rechten van verdediging; dat het verhoor regelmatig verloopt; dat het recht om zichzelf niet te beschuldigen en het zwijgrecht wordt gerespecteerd en dat de verdachte correct wordt behandeld
(cf. dwang of ongeoorloofde druk). Het bijstandrecht is voor de gearresteerde verdachte tevens voorzien in geval van het verhoor door de onderzoeksrechter. De procureur of de onderzoeksrechter kunnen de gearresteerde verdachte een vertrouwelijk onderhoud met zijn advocaat of de bijstand ervan ontzeggen omwille van uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak en voor zover er dwingende redenen zijn.
Dat de Belgische Salduz-regelgeving wellicht eerder vroeg dan laat zal worden getoetst aan het EVRM staat buiten kijf en het is zeer de vraag of deze regelgeving de toetst aan het EVRM zal doorstaan. Prima facie is de regelgeving immers om twee redenen voor ernstige kritiek vatbaar.

Vooreerst heeft niet elke verdachte het recht op bijstand van de advocaat tijdens het verhoor met name: de verdachte die niet van zijn vrijheid is beroofd; de verdachte die wordt verdacht van verkeersmisdrijven; de gearresteerde verdachte waarvan de advocaat niet binnen 2 uur ter plaatse is en de gearresteerde verdachte wie het bijstandrecht wordt ontzegd (zij het dat er situaties denkbaar zijn waarin deze ontzegging verantwoord kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer ondertussen het leven van iemand in gevaar is).

Voorts ziet de verdachte die recht heeft op de bijstand van een advocaat deze bijstand gelimiteerd tot een toezichthoudende rol. Zo lijkt er niet te zijn voorzien in een daadwerkelijk bijstandsrecht waarbij de advocaat bij voorbeeld kan wijzen op onduidelijke, suggestieve, repetitieve of dubbelzinnige vragen. Een bijkomende kritiek bestaat erin dat er in fiscalibus thans niet lijkt te zijn voorzien in een bijstandrecht wanneer een verhoor gebeurt door BBI-ambtenaren en er belastingverhogingen van 200 % aan de orde zijn die kwalificeren als strafsancties in de zin van artikel 6 EVRM
(zie S. Vancolen en A. Maes, “Salduz in fiscalibus: bijstand advocaat ook vereist bij een ondervraging door de BBI ? en zie S. Vancolen en A. Maes, “Salduz in fiscalibus: kan bijstand ook vereist zijn bij ondervraging door de BBI?” , Fisc. Act. 2011, nr. 13, pag. 6).
De Raad van State heeft er de wetgever in haar advies bij de Salduz-wet overigens op gewezen dat daarover best wordt nagedacht (zie Advies van de R.v.St.19 april 2011, Parl. St. DOC 53 1279/002, pag. 21).

Recent heeft de Belgische Wetgever de Salduz-leer geïmplementeerd in de Belgische Wetgeving. Het is evenwel zeer de vraag of deze regelgeving de toetst aan het EVRM zal doorstaan. De wetgever lijkt immers te zijn geïnspireerd door een al te minimalistische interpretatie van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verdachte die wordt verhoord, van zijn vrijheid beroofd of niet, lijkt er dan ook alle belang bij te hebben zich te richten tot de waarborgen voorzien in het EVRM en de Salduz-rechtspraak van het EHRM. Wanneer hij deze waarborgen beperkt ziet door de toepassing van de Belgische Salduz-regelgeving laat hij dit dan ook best, teneinde zijn rechten te vrijwaren, door de verbalisanten akteren in het proces-verbaal van verhoor.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.