Conflicten binnen vernootschappen : alternatieven voor de wettelijke geschillenregeling ...

Conflicten binnen vernootschappen : alternatieven voor de wettelijke geschillenregeling ...

Wanneer de verstandhouding tussen vennoten van een BVBA, een niet-publieke NV, of een commanditaire vennootschap op aandelen dermate verstoord is dat een van hen de verdere samenwerking binnen de vennootschap onmogelijk acht, kan deze zijn toevlucht nemen tot wettelijke geschillenregeling. Deze procedure vereist steeds een ‘gegronde reden’, die door de rechtspraak eerder streng wordt ingevuld, en valt uiteen in enerzijds de vordering tot uitsluiting van een of meer andere vennoten, en anderzijds de vordering tot eigen uittreding. Rechtsleer en rechtspraak zijn het erover eens dat deze wettelijke geschillenregeling als allerlaatste remedie moet worden beschouwd. Dit houdt in dat de vennoten geacht worden eerst alle andere mogelijke middelen van conflictoplossing uit te putten. Dit wordt het subsidiaire karakter van de geschillenregeling genoemd en vindt zijn grondslag in de vereiste goede trouw waarmee vennoten elkaar moeten bejegenen.

Meteen stelt zich de vraag wat nu precies de alternatieven zijn die vennoten hebben om hun onderling geschil op te lossen. Dat het antwoord op deze vraag van geval tot geval zal verschillen, staat er niet aan in de weg dat algemeen gesteld, volgende actiemogelijkheden soelaas kunnen bieden.

Als eerste categorie onderscheidt men de wettelijke alternatieven die worden aangereikt door het wetboek van vennootschappen, en dit buiten elke rechterlijke tussenkomst. Vooreerst is er de verplichte bijeenroeping van de algemene vergadering door de raad van bestuur of de zaakvoerders, indien aandeelhouders die minstens 20% van het kapitaal vertegenwoordigen, daarom verzoeken. Op straffe van een geldboete van
50 – 10.000 EUR moet het bestuur aan dit verzoek gevolg geven binnen de drie weken. Dit recht wordt overigens nog aangevuld met de mogelijkheid om de agenda van de algemene vergadering te bepalen. Enkel de onderwerpen die onwettig, manifest strijdig met het vennootschapsbelang of kwetsend verwoord zijn, kunnen door het bestuur van de agenda worden weggelaten wanneer de vennoten om deze agenda hebben verzocht. Voorts hebben vennoten van een NV, BVBA, CVBA, Comm. VA en SE een verregaand vraagrecht ten aanzien van het bestuur. De bestuurders zijn immers verplicht om te antwoorden op alle vragen van de vennoten, behoudens wanneer het antwoord de vennootschap, de aandeelhouders of het personeel ernstig zou schaden.

Voorts is er de ad nutum herroepbaarheid van het bestuursmandaat in de NV, waardoor een aandeelhouder die tevens bestuurder is te allen tijde en zonder motivering kan ontslaan worden door de algemene vergadering. Het spreekt voor zich dat dit in sommige gevallen geen sinecure zal zijn voor de minderheidsaandeelhouder, die eerst zijn medevennoten zal moeten overtuigen om mee te stemmen.

Wanneer een aandeel aan verscheidene eigenaars toebehoort, kan de vennootschap de uitoefening van de rechten die aan dit aandeel kleven, schorsen totdat één enkele (rechts) persoon als eigenaar van het aandeel is aangewezen. Vaak wordt dit ook statutair voorzien. Aldus kunnen bv. de stemrechten of het recht op dividend worden geschorst totdat één (rechts)persoon door de conflicterende houders van de betrokken aandelen als eigenaar is aangewezen.

Tenslotte beschikken vennoten over individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden. Zo zijn bestuurders van een NV verplicht om jaarlijks een jaarrekening op te stellen en deze binnen de 6 maanden na afsluiting van het boekjaar voor te leggen ter goedkeuring aan de algemene vergadering. Bovendien hebben vennoten in enkele welbepaalde situaties recht op ‘tussentijdse informatie’, bij voorbeeld naar aanleiding van een fusie of splitsing. Daarnaast beschikken aandeelhouders in vennootschappen waar geen commissaris werd aangesteld tevens over een individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid.

De tweede categorie omvat de jurisprudentiële alternatieven die wèl de tussenkomst van de rechtbank vereisen. Zo kan de algemene vergadering in bepaalde gevallen beslissen om de vennootschapsvordering of actio mandati in te stellen tegen de (voormalige) bestuurders die tevens aandeelhouder zijn, indien hen nog geen kwijting werd verleend. Deze vordering strekt ertoe om de schade die de vennootschap geleden heeft door welbepaalde bestuursfouten, te laten vergoeden.

Vennoten kunnen onder voorwaarden eveneens vorderen dat een gerechtelijk deskundige wordt aangesteld die belast wordt met het opmaken van een objectief verslag, dat als uitgangspunt kan dienen om het conflict op te lossen. Ook de aanstelling van een sekwester of de rechterlijke schorsing van bepaalde aandeelhoudersrechten kan in sommige gevallen een oplossing bieden.

Een meer ingrijpende actie is de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder over de vennootschap. De bestuurders verliezen aldus – minstens tijdelijk – hun zeggenschap over de vennootschap.

Tenslotte kunnen vennoten, naast elke andere belanghebbende, zich nog tot de rechtbank wenden om de opschorting en/of nietigverklaring van besluiten van vennootschapsorganen op welbepaalde gronden te vorderen. Als nietigheidsgronden worden onder meer aangemerkt: onregelmatigheid naar de vorm die het besluit heeft kunnen beïnvloeden, schending van de regels omtrent de werkwijze bij bedrieglijk opzet, overschrijding of misbruik van bevoegdheid, …

Niet zelden worden dergelijke vorderingen als drukkingsmiddel in de strijd geworpen.

Als derde en laatste categorie onderscheidt men de conventionele en statutaire alternatieven die de vennoten in staat kunnen stellen om de geschillenregeling te vermijden. Zo kan reeds preventief worden voorzien in zogenaamde bemiddelingsclausules in het vennootschapscontract, de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst. Dergelijke bedingen zijn geldig op voorwaarde dat zij het zetten van gerechtelijke stappen op grond van de wettelijke geschillenregeling niet onmogelijk maken. De goede trouw vereist dat dergelijke piste van bemiddeling eerst wordt bewandeld, doch er wordt in de rechtspraak geoordeeld dat vennoten zich in geval van structurele en duurzame onenigheid onmiddellijk kunnen wenden tot de wettelijke geschillenregeling.

Ook wanneer er geen preventieve clausules bestaan in die zin, kunnen vennoten naar aanleiding van een conflict een verzoeningspoging ondernemen met het oog op het sluiten van een dading, of gezamenlijk beslissen hun geschil voor te leggen aan een rechter of arbiter overeenkomstig het gemeen recht. Tevens wordt in de rechtsleer verdedigd dat de rechter, eenmaal geadieerd in het kader van de geschillenregeling, zijn uitspraak kan opschorten op grond van artikel 1184 van het burgerlijk wetboek, om de vennoten toe te laten een minnelijke regeling te voorzien.

Besluitend kan men stellen dat vennoten over een arsenaal van mogelijkheden beschikken om tot een oplossing van een conflict te komen. De wettelijke geschillenregeling is daarbij zeer succesvol gebleken in de rechtspraak, maar dient als uiterste redmiddel te worden beschouwd. Trouwens wordt in de rechtsleer en rechtspraak benadrukt dat de vordering tot uitsluiting of uittreding kan afgewezen worden wanneer andere middelen niet eerst uitgeput werden. De vordering zal evenzeer worden afgewezen wanneer andere, mindere ingrijpende middelen voorhanden zijn om tot een oplossing van het conflict te komen. Slechts wanneer duidelijk sprake is van een structurele en duurzame onenigheid tussen vennoten kan men zich rechtstreeks wenden tot de rechter om één of meer vennoten te laten uitsluiten, dan wel om de eigen uittreding af te dwingen. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.