Cassatie veegt administratief standpunt definitief van tafel: een uitstel van betaling van een koopprijs is geen geldlening

Cassatie veegt administratief standpunt definitief van tafel: een uitstel van betaling van een koopprijs is geen geldlening

Interesten van "voorschotten" die ondermeer een bedrijfsleider aan zijn vennootschap toestaat, worden onder bepaalde omstandigheden geherkwalificeerd in dividenden (art. 18 al. 1, 4° WIB 92). Als voorschot wordt beschouwd "elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening". Het komt er telkens op aan te weten of er sprake is van een geldlening, want alleen dan kan de administratie de interesten herkwalificeren in dividenden. De belastingwet bevat geen definitie van een geldlening. Conform het gemeen recht impliceert een geldlening dat er een afgifte van gelden is geweest.

Het klassiek feitenrelaas is als volgt. Een ondernemer of vrij beroeper verkoopt zijn onderneming respectievelijk praktijk aan een door hem pas opgerichte vennootschap. Voor de betaling van de overnameprijs wordt een afbetalingsregeling overeengekomen; de vennootschap kan betalen in functie van haar liquiditeitsmogelijkheden. De schuldig gebleven koopsom wordt in de boekhouding ingeschreven op een daartoe geopende rekening-courant waarop interesten worden toegekend. Op de uitbetaalde interest houdt de vennootschap 15 % roerende voorheffing in en zij doet daarvan aangifte.

Sinds jaren houdt de administratie vol dat in deze casus er sprake zou zijn van een geldlening omdat de verkoper aan de koper gelden ter beschikking laat. Om die reden meent zij de interesten te kunnen herkwalificeren in dividenden zodat er door de vennootschap 25 % in plaats van 15 % roerende voorheffing verschuldigd is. Deze geherkwalificeerde interesten maken deel uit van het fiscaal resultaat en zijn bovendien niet langer fiscaal aftrekbaar. Dit brengt een mogelijke uitsluiting van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting met zich mee met een hogere vennootschapsbelasting als gevolg (artikel 215, lid 3 WIB 92).

Het Hof van Cassatie oordeelde in een eerste arrest van 16 november 2006 dat het begrip geldlening in de zin van artikel 18 WIB 92 de vorm "kan" aannemen van een inschrijving op rekening-courant. Wij hebben er destijds op gewezen dat uit dit cassatiearrest geenszins kan worden afgeleid dat het begrip geldlening niet langer zou moeten worden geïnterpreteerd als een geldlening in de zin van het gemeen recht (raadpleeg publicaties 2001-2008 op www.taxforius.be). De rechtspraak van ondermeer het hof van beroep van Gent, en de rechtbanken van Brugge en Gent bevestigden deze stelling. Zo oordeelde het Gentse hof in diverse arresten dat een geldlening een afgifte van gelden veronderstelt en dat het de achterliggende oorzaak is van de inschrijving op rekening-courant die determinerend is om te bepalen of er al dan niet sprake is van een geldlening. Een herkwalificatie is dan uitgesloten wanneer kan worden vastgesteld dat de achterligggende oorzaak van de inschrijving op rekening-courant geen geldlening is maar een koop-verkoop met betalingsmodaliteiten omtrent de koopprijs. De administratie dacht evenwel in het cassatiearrest van 2006 bevestiging van haar stelling te kunnen zien.

In een tweede cassatiearrest van 4 september 2009 bevestigde het Hof van Cassatie dat een geldlening de vorm kan aannemen van een inschrijving op rekening-courant. Maar Cassatie verduidelijkte ditmaal dat zo’n omschrijving niet "noodzakelijk" een geldlening impliceert.  Cassatie oordeelde ditmaal ook uitdrukkelijk dat bij gebrek aan een fiscale definitie van het begrip "geldlening" dat begrip in zijn gemeenrechtelijke betekenis moet worden begrepen en dat een overhandiging van gelden is vereist.

De administratie bleek nog steeds niet overtuigd en voorzag zich in cassatie tegen een arrest van het hof van beroep van Gent hetgeen heeft geleid tot een derde cassatiearrest van 20 mei 2010. Het Hof van Cassatie beëindigde definitief de discussie. Cassatie bevestigde haar vorige rechtspraak en oordeelde daarenboven uitdrukkelijk dat een aan de koper van een goed gegeven uitstel van betaling van de koopprijs in de regel geen lening is gegeven door de verkoper aan de koper. Uit het cassatiearrest lijkt te kunnen worden afgeleid dat deze regel slechts dan niet geldt wanneer de administratie zou slagen in de zware bewijslast van simulatie of met andere woorden zou kunnen bewijzen dat er sprake is van een verdoken geldlening onder de mom van de niet-betaling van een schuld.

Noteer overigens dat na het tweede cassatiearrest het hof van beroep van Antwerpen haar rechtspraak heeft bijgestuurd en zich heeft geconformeerd aan de cassatierechtspraak. Opdat er van een geldlening sprake zou kunnen zijn volstaat het "ter beschikking laten" van gelden niet; er is een overhandiging van gelden vereist. Wellicht is de administratie na drie cassatiearresten nu ook overtuigd. Cassatie kan in ieder geval niet duidelijker meer zijn: een koop met uitstel van betaling is geen geldlening.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.