Bezwaartermijn verstreken? Niet noodzakelijk een man overboord!

Bezwaartermijn verstreken? Niet noodzakelijk een man overboord!

Indien u als belastingplichtige een aanslag in de inkomstenbelasting betwist heeft u er alle belang bij om bij de bevoegde directeur een schriftelijk en gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen. Dergelijk bezwaarschrift moet worden ingediend binnen een termijn van zes maanden. De bezwaartermijn is een zogenaamde "vervaltermijn", wat impliceert dat als de belastingplichtige deze termijn voorbij laat gaan, de aanslag definitief wordt en deze in principe niet meer kan worden aangevochten. De aanslag kan dan ook niet meer worden betwist voor de fiscale rechter gelet op de zogenaamde "uitputtingsvereiste". Deze vereiste houdt precies in dat de belastingplichtige in ieder geval de administratieve (bezwaar)fase moet hebben doorlopen vooraleer hij zich tot de fiscale rechter kan wenden.

Meer dan eens moet in de praktijk worden vastgesteld dat een aanslag onregelmatig dan wel ongegrond voorkomt terwijl de bezwaartermijn inmiddels is verstreken. Beschikt de belastingplichtige dan nog over verweermiddelen of dient hij zich definitief neer te leggen bij de aanslag?

Het verstrijken van de bezwaartermijn op zich belet in ieder geval niet dat een verzoek tot ambtshalve ontheffing wordt ingediend. Laatstgenoemd verzoek betreft een specifiekeprocedure die - naast overschotten van voorheffingen en voorafbetalingen evenals welbepaalde belastingverminderingen - alle overbelastingen viseert die voortvloeien uit een materiële vergissing, dubbele belasting, of afdoende bevonden nieuwe feiten of bescheiden waarvan het laattijdig overleggen of inroepen ervan door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen. Bijkomende voorwaarden zijn dat de aanslag niet reeds het voorwerp mag zijn geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond van de zaak en dat overbelasting moet worden bekendgemaakt aan de administratie binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de aanslag is gevestigd.

De mogelijkheid om ambtshalve ontheffing te verkrijgen is aldus onderworpen aan veel striktere voorwaarden dan voor het indienen van een bezwaarschrift. Dit neemt niet weg dat het in vele gevallen de moeite loont de mogelijkheid tot een verzoek tot ambtshalve ontheffing te onderzoeken.

Het voorgaande kan worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld uit de praktijk waarbij beroepskosten niet werden geboekt tijdens het jaar van de prestatie. Een vennootschap neemt in het boekjaar 2001 (aanslagjaar 2002) management fees op in haar boekhouding die zij fiscaal als beroepskost aftrekt. De administratie verwerpt deze aftrek omdat de kosten betrekking hebben op de boekjaren 1999 en 2000 (respectievelijk aanslagjaar 2000 en 2001). Er wordt daarom in 2004 een aanvullende aanslag gevestigd met betrekking tot aanslagjaar 2002.

Het bezwaar dat de belastingplichtige tegen laatstgenoemde aanslag indiende en waarin werd betwist dat de beroepskosten niet in het juiste jaar werden afgetrokken, werd door de administratie afgewezen. Deze directoriale beslissing werd, bij gebrek aan indiening van een fiscaal verzoekschrift bij de fiscale rechter definitief.

In 2006 hield de vennootschap een buitengewone algemene vergadering waarbij werd besloten om de jaarrekeningen met betrekking tot de boekjaren 1999 en 2000 te corrigeren middels een regularisatieboeking waarbij de management fees thans in de juiste boekjaren worden opgenomen. Op die manier groeide het over te dragen verlies van de boekjaren 1999 en 2000 aan ten belope van het bedrag van de management fees.

De vennootschap diende vervolgens met betrekking tot boekjaar 2001 (aanslagjaar 2002) een verzoek tot ambtshalve ontheffing in waarbij de aangroei van de verliezen, die voortkwam uit de rechtzetting van de jaarrekeningen met betrekking tot de boekjaren 1999 en 2000, wordt aangewend als een nieuw feit.  

De administratie wijst in eerste instantie het verzoek af, maar de rechtbank van Bergen kent het verzoek toe en ontheft de aanslag. De rechtbank stelt vast dat het verzoek tot ambtshalve ontheffing geen betrekking heeft op de betwisting van de verwerping van de management fees - zoals dit het geval was tijdens de bezwaarfase - maar wel op de aftrek van de verliezen die voortkwamen uit de rechtzetting van de jaarrekeningen met betrekking tot de boekjaren 1999 en 2000. Ondermeer gezien deze regularisatie zich heeft voorgedaan na afloop van de bezwaartermijn, dient men er volgens de rechtbank van uit te gaan dat de rechtzetting van de jaarrekening wel degelijk een nieuw feit vormt waarvan het laattijdig voorleggen wordt gerechtvaardigd door een aanvaardbare reden (Rb. Bergen 9 oktober 2008, FJF 2010/110).

Wanneer u als belastingplichtige een aanslag in de bus krijgt waarmee u het niet eens bent, heeft u er alle belang bij tegen die aanslag tijdig en schriftelijk een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen. Mocht er om één of andere reden geen tijdig bezwaarschrift zijn ingediend, beschikt u mogelijkerwijze over het vangnet van het verzoek tot ambtshalve ontheffing. Hoewel dergelijk verzoek slechts mogelijk is onder welbepaalde (en strikte) voorwaarden, loont het sowieso de moeite te onderzoeken of niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Het hierboven beschreven geval is daarvan een treffend voorbeeld.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.