Bezwaartermijn verstreken? net niet!

Bezwaartermijn verstreken? net niet!

04.05.2010
Steven Vancolen (Advocaat)

Stel u bent belastingconsulent en één van uw cliënten komt u op dinsdag 9 maart 2010 opzoeken op uw kantoor. Hij wenst een bezwaar in te dienen tegen een aanvullende aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 2008. Op die aanslag staat de datum van verzending ervan vermeld; per hypothese dinsdag 8 september 2009. Zoals dit op vandaag in de regel nog steeds het geval is, werd de aanslag 'per gewone post' verstuurd. De cliënt informeert of hij tegen deze aanslag nog tijdig bezwaar kan indienen.

Dit betreft een belangrijk procedure-item: de bezwaartermijn is immers een vervaltermijn die behoudens overmacht niet kan worden verlengd. Wanneer de belastingplichtige deze termijn voorbij laat gaan, wordt de aanslag definitief en kan hij niet meer worden aangevochten (tenzij er zou zijn voldaan aan de specifieke voorwaarden voor een verzoek tot ambtshalve ontheffing).

Het begin van de oplossing ligt gelegen in artikel 371 WIB 92 dat ondermeer bepaalt dat de bezwaarschriften moeten worden ingediend binnen een termijn van 6 maanden vanaf de datum van de verzending van het aanslagbiljet. De strikte toepassing van deze wetsbepaling op de voorliggende casus zou leiden tot de conclusie dat op dinsdag 9 maart 2010 reeds meer dan zes maanden zijn verstreken sinds de verzendingsdatum, namelijk 6 maanden en 1 dag. Deze conclusie op basis van een strikte toepassing van de voornoemde bepaling komt evenwel verkeerd voor. Onze hoogste rechtscolleges houden er immers een andere mening op na.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde namelijk in 2007 met betrekking tot de bezwaartermijn inzake inkomstenbelastingen dat deze discriminerend is wanneer men er vanuit gaat dat hij begint te lopen op de datum van de 'verzending' van het aanslagbiljet (arrest van 19 december 2007, nr. 162/2007). Volgens het Hof beperkt de keuze van de datum van de verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn de rechten van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis hebben van de inhoud van het aanslagbiljet. Volgens hetzelfde Grondwettelijke Hof is de aanvang van de bezwaartermijn evenwel niet discriminerend indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen; dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (art. 53 bis van het Gerechtelijke Wetboek). Dit is de zogenaamde ontvangsttheorie. In antwoord op een parlementaire vraag heeft de minister laten weten dat de administratie de ontvangsttheorie toepast (Vr. nr. 96 CLAEYS 29 april 2008, Vr. en Antw. Kamer 2007-2008, 1, nr. 030, 7689-7691).

Op 12 november 2009 heeft nu ook het Hof van Cassatie deze ontvangsttheorie bevestigd (Cass. 12 november 2009, www.cass.be).

Bij de berekening van de bezwaartermijn kunnen de bepalingen 48 tot en met 57 van het gerechtelijk wetboek worden gehanteerd, zij het dat deze artikelen strikt gezien enkel van toepassing zijn op gerechtelijke procedures en niet op administratieve procedures zoals in geval van een bezwaar. Ook de administratie past overigens de bepalingen van het gemeen recht toe om de bezwaartermijn voorzien in artikel 371 WIB 92 te bepalen (zie Com.IB. 371/26 en 371/27). Zo omvat artikel 53 bis, 2° van het Gerechtelijk Wetboek een regeling zoals de genoemde ontvangsttheorie volgens dewelke de termijn ten aanzien van de geadresseerde bij een kennisgeving op een papieren drager bij aangetekende brief of bij gewone brief in principe begint te lopen de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten werd overhandigd. In het burgerlijk procesrecht is de zaterdag geen werkdag (cf. J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, pag. 134, nr. 224, contra J. LAENENS, "Over termijnen en verzoekschriften in het civiele geding", R.W. 2005-06, 1405). Noteer daarbij dat de minister van Financiën onlangs bevestigde dat ondermeer voor de berekening van de aanvangstermijn voor het indienen van een bezwaar de zaterdag ook door de administratie niet langer als een werkdag wordt beschouwd (V&A Kamer 2009-2010, nr. 52-94, 345). De vervaldag is ingevolge artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek in de termijn begrepen; is de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

Wanneer de administratie in voorliggende casus het aanslagbiljet aan de postdiensten zou hebben overhandigd dezelfde dag als de verzendingsdatum zijnde dinsdag 8 september 2009 (te verifiëren aan de poststempel), is de eerste dag van de bezwaartermijn aldus vrijdag 11 september 2009 (cf. de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten werd overhandigd) ; de laatste dag om bezwaar aan te tekenen is dan woensdag 10 maart 2010. In de voorliggende casus is de bezwaartermijn aldus op 9 maart 2010 nog niet verstreken.

Men moet er zich aldus voor behoeden voorbarig tot de conclusie te komen dat de bezwaartermijn is verstreken. De ontvangsttheorie maakt immers dat de bezwaartermijn enkele dagen langer is dan voorzien in het Wetboek Inkomstenbelasting. Naar verluidt heeft de wetgever ook plannen om de ontvangsttheorie formeel in te schrijven in artikel 371 WIB 92. Dit zal ongetwijfeld de rechtszekerheid ten goede komen.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.