Bezwaarprocedure in de inkomstenbelastingen - impliceert de uitputtingsvereiste de medewerking van de belastingplichtige ?

Bezwaarprocedure in de inkomstenbelastingen - impliceert de uitputtingsvereiste de medewerking van de belastingplichtige ?

Het administratief beroep op het vlak van de inkomstenbelastingen wordt geregeld in de artikelen 366 e.v. van het Wetboek Inkomstenbelastingen. In deze bepalingen zijn ondermeer de voorwaarden opgenomen voor een geldig bezwaarschrift tegen een aanslag. Zo moet een bezwaarschrift door de persoon met de juiste hoedanigheid worden ingediend, het bezwaarschrift moet gemotiveerd zijn en het moet tijdig, binnen een termijn van 6 maanden, worden ingediend.

Het indienen van een geldig bezwaarschrift is uitermate van belang. Vooreerst, nogal evident, om het bezwaarschrift behandeld te zien door de fiscale administratie. Maar voorts evenzeer om, in geval het bezwaarschrift wordt afgewezen, de mogelijkheid open te houden zich tot de bevoegde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te kunnen wenden. In het gerechtelijk wetboek (meer bepaald in art. 1385 undecies) wordt immers bepaald  dat de vordering in rechte slechts is toegelaten indien de eiser het voorafgaandelijk krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. Het betreft de zogenaamde “uitputtingsvereiste”.

In de praktijk is diverse malen de vraag behandeld of een formeel bezwaarschrift volstaat om te voldoen aan de uitputtingsvereiste dan wel of er daarvoor meer is vereist, zoals de medewerking van de belastingplichtige tijdens de behandeling van het bezwaar?

In diverse vonnissen werd uitgegaan van het standpunt dat de bezwaarprocedure niet louter formeel moet worden uitgeoefend. Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat niet aan de uitputtingsvereiste werd voldaan door een belastingplichtige wiens bezwaar werd afgewezen nadat hij niet inging op het verzoek van de administratie om alle bijlagen voor te leggen die normalerwijze bij de aangifte dienden te worden gevoegd (Rb. Namen 20 december 2006). De rechtbank van eerste aanleg te Leuven oordeelde dat niet aan de uitputtingsvereiste werd voldaan, wanneer de belastingplichtige weliswaar een bezwaarschrift had ingediend, maar de directie op basis van het bezwaarschrift geen gemotiveerde beslissing kon nemen, en de belastingplichtige het onderzoek van het bezwaarschrift onmogelijk had gemaakt (Rb. Leuven 11 maart 2011). Evenzeer de rechtbank van Brugge oordeelde in dezelfde zin. Volgens de rechtbank is de uitputtingsvereiste niet nageleefd wanneer de belastingplichtige nalaat  in de bezwaarfase de door de fiscus gevraagde verantwoordingstukken voor te leggen. Daardoor werd volgens de rechtbank het bezwaar onmogelijk gemaakt en wordt de ‘filterfunctie’ van het administratief beroep volledig buiten spel gezet (Rb. Brugge 29 oktober 2013; Rb. Brugge 15 oktober 2013;). In een recent vonnis van de rechtbank van Brugge was er zogenaamd sprake van zowel het nalaten gevraagde stukken voor te leggen als van een gebrek aan medewerking dat volgens de rechtbank maakte dat niet aan de uitputtingsvereiste werd voldaan (RB. Brugge 7 maart 2017).

Het is zeer de vraag of een belastingplichtige er veel belang bij heeft niet zijn medewerking aan de fiscale administratie te verlenen. Dit is evenwel niet de vraag die hier voor ligt namelijk te weten of een zogenaamd gebrek aan medewerking wel kan worden ‘gesanctioneerd’ met een niet-ontvankelijkheid van de fiscale vordering van de rechtbank op basis van de uitputtingsvereiste zoals in voornoemde voorbeelden.

Deze vraag dient ons inziens negatief te worden beantwoord, zoals hierna verder wordt toegelicht.

De uitputtingsvereiste betreft de vraag of een administratief beroep is ingesteld en of dit op een geldige wijze is gebeurd (Gent 8 november 2016; Gent 28 juni 2016; Gent 24 november 2015 en Gent 14 april 2015).

Dit impliceert dat de houding van de belastingplichtige tijdens de behandeling van het bezwaarschrift niet in rekening kan worden gebracht. Het hof van beroep van Gent oordeelde in dit verband dat het nalaten om tijdens een bezwaarfase, ondanks een legitieme vraag, bewijsstukken voort te brengen of het bezwaar te bespreken geen reden tot onontvankelijkheid van de gerechtelijke vordering is. De uitputtingsvereiste kan volgens het Gentse hof niet zo extensief worden uitgelegd. Het verzuim van een belastingplichtige om te antwoorden op een verzoek om inlichtingen doet geen afbreuk aan het bestaan zelf van dit administratief bezwaar. Eisen dat een belastingplichtige altijd tijdig en volledig moet hebben geantwoord op ieder verzoek om inlichtingen vanwege de administratie die dit bezwaar onderzoekt, is het toevoegen aan artikel 1385 undecies Ger. Wb. van een voorwaarde die er niet in staat  (Zie bv Gent 8 november 2016 en Gent 28 juni 2016).  

Het voorgaande betekent evenzeer dat de houding van de belastingplichtige tijdens de voorafgaande taxatiefase evenmin in rekening kan worden gebracht bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar en van de fiscale vordering.

Wanneer het bezwaarschrift bovendien door de directeur zelf ontvankelijk werd verklaard is de administratie daaraan gebonden en is de daarop volgende vordering in rechte ontvankelijk (Antwerpen 23 juni 2015; Gent 11 maart 2014).

Als vuistregel lijkt dan ook te kunnen worden weerhouden dat wanneer een bezwaarschrift volgens de regels van de kunst is ingesteld (door de juiste persoon, tijdig, op de juiste wijze en gemotiveerd) de al dan niet medewerking van de belastingplichtige tijdens de taxatiefase of de bezwaarfase verder niet relevant is bij de beoordeling van de uitputtingsvereiste.

De administratie beschikt overigens over genoeg tools binnen het wetboek van inkomstenbelastingen om een belastingplichtige aan te pakken die de vereiste medewerking niet verleent (zie bv. art. 351 ivm de aanslag van ambtswege of art. 445 in verband met de administratieve geldboete).

Volgens de zogenaamde “uitputtingsvereiste” is een vordering voor de fiscale rechter slechts toegelaten indien vooraf een administratief bezwaar werd ingesteld. Als vuistregel lijkt te kunnen gelden dat wanneer een bezwaarschrift volgens de regels van de kunst is ingesteld (door de juiste persoon, tijdig, op de juiste wijze en gemotiveerd) de al dan niet medewerking van de belastingplichtige tijdens de taxatiefase of de bezwaarfase verder niet relevant is bij de beoordeling van de uitputtingsvereiste. De niet-medewerking van een belastingplichtige dient desgevallend volgens het Wetboek van Inkomstenbelastingen op een andere wijze te worden gesanctioneerd dan door de onontvankelijkheid van de rechtsvordering, bij voorbeeld door een geldboete.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.