Bezoldigingen van helpende gezinsleden - aftrekbaar als beroepskost in hoofde van het bedrijf dan wel van haar bedrijfsleider?

Bezoldigingen van helpende gezinsleden - aftrekbaar als beroepskost in hoofde van het bedrijf dan wel van haar bedrijfsleider?

De bezoldigingen van de gezinsleden van de belastingplichtige die met hem samenwerken zijn aftrekbare beroepskosten (art. 52, 4° WIB 92). Dit geldt ook voor bedrijfsleiders van vennootschappen. Daarvoor is volgens het Hof van Cassatie in toepassing van art. 49 WIB 92 vereist dat de kosten inherent zijn aan de uitoefening van het beroep van bedrijfsleider. De bezoldigingen betaald aan gezinsleden zijn volgens Cassatie inzonderheid slechts aftrekbare beroepskosten van de bedrijfsleider wanneer ze inherent zijn aan zijn activiteiten als bedrijfsleider binnen de vennootschap en niet aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap (Cass. 7 april 2016).

Het voorgaande lijkt op het eerste zicht klaar en duidelijk maar wat als een bepaalde loonkost van gezinsleden inherent blijkt aan zowel de activiteiten van de bedrijfsleider als aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap? Kan wanneer de bedrijfsleider deze kosten draagt, hij deze dan niet aftrekken als beroepskosten, of toch?

Het Hof van beroep van Gent beoordeelde deze rechtsvraag in een recent arrest (van 3 januari 2017).

De feiten waren als volgt. Een belastingplichtige is de enige zaakvoerder van een vennootschap die aannemingswerken uitvoert. Volgens de notulen van de algemene vergadering behoren tot zijn takenpakket als zaakvoerder de administratieve, financiële en organisatorische leiding enerzijds en het uitvoeren van aannemingswerken anderzijds. Bovendien werd tijdens die algemene vergadering voorzien dat de zaakvoerder zich kan laten bijstaan door helpers in de uitoefening van zaak taak als zaakvoerder. Gedurende verschillende jaren ontving de bedrijfsleider effectief zelf bezoldigingen van zijn vennootschap, maar betaalde hij er anderzijds ook zelf aan familieleden die als helpers tewerkgesteld werden. Het betrof de gepensioneerde vader en de minderjarige zoon.

De fiscale administratie betwistte dat de bezoldigingen die de zaakvoerder aan zijn vader en zoon uitbetaalde, voor hem aftrekbare beroepskosten waren. Het standpunt van de fiscus was in essentie dat enkel de gedragen loonkosten die verband houden met de leidinggevende opdracht van de zaakvoerder in zijnen hoofde kunnen worden weerhouden als aftrekbare beroepskost. Volgens de fiscus voerden de vader en zoon in feite enkel taken uit van een gewone werknemer van de vennootschap (te weten aannemingswerken).

De betrokken zaakvoerder voerde aan, zoals ook bleek uit de feiten en voorgelegde stukken, dat zijn taak zowel leidinggevend als operationeel was en dat ook zijn vader en zoon als helper de beide soorten taken hebben vervuld.

Hij bepleitte dat hier sprake is vaneen kost die zowel de bedrijfsleider als (onrechtstreeks) de vennootschap ten goede komt en dat het een pure opportuniteitsbeoordeling zou zijn te stellen dat een kost eventueel inherent(er) zou zijn aan de activiteit van de vennootschap.

Wanneer een bedrijfsleider binnen een vennootschap twee bezoldigde activiteiten uitoefent, een leidinggevende en een operationele, dienden volgens de zaakvoerder de werkelijke kosten van elke van de activiteiten in hoofde van de bedrijfsleider aftrekbaar zijn zelfs als die kosten evengoed door de vennootschap zelf hadden kunnen worden gedragen.Nog volgens de zaakvoerder sluit het cassatiearrest van april 2016 niet uit dat ook kosten worden afgetrokken die geen verband houden met een leidinggevende activiteit.

Het hof van beroep van Gent oordeelde dat op basis van de feitelijke omstandigheden waarin de bedrijfsleider zijn mandaat uitoefent, moet worden nagegaan of de medewerking van het gezinslid wordt genoodzaakt door de omstandigheden waarin het beroep wordt uitgeoefend. Volgens het Gentse hof kan de bezoldiging van een zoon/dochter enkel als beroepskost in mindering wordt gebracht als de werkzaamheden van de zoon/dochter kunnen worden gezien als een hulp in de specifieke werkzaamheden van de ouder als bedrijfsleider in de uitoefening van zijn mandaat. Het hof stelde concreet vast enerzijds dat aan de bedrijfsleider zowel taken van organisatorische aard als van operationele aard werden toevertrouwd en anderzijds dat hij in beide soorten taken daarin werd bijgestaan door zijn vader en zijn zoon. Ondermeer op basis van deze vaststellingen, en de onderliggende stukken, oordeelde het hof dat de door de bedrijfsleider, aan zijn vader en zoon betaalde bezoldigingen inherent zijn aan zijn beroepsactiviteit en aldus voor hem kwalificeren als aftrekbare beroepskosten.

De bezoldigingen van de gezinsleden van de bedrijfsleider die met hem samenwerken zijn in principe voor hem aftrekbare beroepskosten. Er dient evenwel in concreto te worden nagegaan of de gezinsleden effectief een hulp zijn in de specifieke werkzaamheden van de bedrijfsleider in de uitoefening van zijn mandaat. Wanneer aan de bedrijfsleider zowel taken van organisatorische aard als van operationele aard werden toevertrouwd en hij in beide soorten taken daarin werd bijgestaan door zijn gezinsleden, is de aftrekbaarheid van de bezoldigingen van de gezinsleden niet beperkt tot het leidinggevende: de ganse kost is aftrekbaar. Dat een kost gemaakt door de bedrijfsleider zowel de bedrijfsleider als tegelijk het bedrijf ten goede komt, doet aan het voorgaande geen afbreuk: de kost wordt uiteindelijk afgetrokken door diegene die hem heeft gedragen. De betrokken kosten lijken enkel te kunnen worden verworpen wanneer zij alleen verband zouden houden met de eigen activiteit van de vennootschap en geen enkel verband houden met de eigen activiteit als bedrijfsleider. Uitkijken of dit verder wordt bevestigd in de rechtspraak! 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.