Beter voorkomen dan genezen: stel uw pensioenkapitaal veilig

Beter voorkomen dan genezen: stel uw pensioenkapitaal veilig

03.05.2011
Jan Sandra (advocaat-vennoot) & Alexander Loobuyck (advocaat)

Om hun bedrijfsleider zo fiscaal voordelig mogelijk te belonen zeggen vele vennootschappen een pensioenkapitaal toe aan de bedrijfsleider middels een onderhandse pensioenbelofte. Fiscaal gezien is de uitkering van een daaruit voortvloeiend pensioenkapitaal voordeliger dan een bezoldiging voor de bedrijfsleider omdat ze slechts belast wordt aan 16,5% in plaats van aan de gebruikelijke progressieve tarieven op een gewone bezoldiging.

Het onderhands toezeggen van een pensioenkapitaal is niet alleen fiscaal voordelig. De vennootschap heeft eveneens het praktische voordeel dat ze tot aan de pensionering van de bedrijfsleider over de onderliggende liquiditeiten kan blijven beschikken. Hiertegenover staat wel dat het toegezegde pensioenkapitaal onderworpen blijft aan het ondernemingsrisico. Als de vennootschap failliet gaat, dan ziet de bedrijfsleider het hem beloofde pensioenkapitaal allicht integraal teloorgaan. Gelet op het dagelijkse economische reilen en zeilen, kan het toegevoegde waarde bieden dat het pensioenkapitaal niet meer onderhevig is aan het ondernemingsrisico.

Een oplossing zou kunnen gevonden worden in het afsluiten van een externe pensioenverzekering voor de bedrijfsleider. Dit is een driepartijenovereenkomst gesloten tussen de vennootschap, de bedrijfsleider en een externe verzekeringsmaatschappij. De bedrijfsleider krijgt hierdoor een rechtstreekse vordering op de verzekeringsmaatschappij. De uitkering van het opgebouwd pensioenkapitaal van de bedrijfsleider bij zijn pensionering is niet langer afhankelijk van de solvabiliteit van de vennootschap. Het is enkel van belang dat de verzekeringsmaatschappij haar verplichtingen kan nakomen.

Indien reeds een pensioenbelofte bestaat stelt zich de vraag of deze zonder fiscale latenties kan worden omgevormd naar een externe pensioenverzekering. Er is in het wetboek inkomstenbelastingen 1992 slechts één artikel dat uitdrukkelijk in de overzetting van een interne pensioentoezegging naar een externe pensioenvoorziening voorziet, namelijk art. 515 septies WIB 1992. Op grond van dit artikel is het mogelijk om een onderhandse pensioenovereenkomst op een belastingneutrale manier om te vormen in een externe pensioenverzekering. Dit kan echter maar indien deze onderhandse pensioenovereenkomst gesloten werd voor de inwerkingtreding van de Wet betreffende de aanvullende pensioenen van 28 april 2003 (hierna de WAP-wet genoemd.

De WAP-wet is echter in werking getreden op 1 januari 2004. Bijgevolg kan zij slechts een wettelijke basis bieden om interne pensioenvoorzieningen met fiscale neutraliteit te laten overnemen door een pensioenverzekeraar indien de pensioenovereenkomst dateert van vóór 1 januari 2004.

Een praktische oplossing voor de pensioenovereenkomsten daterend van na 1 januari 2004 zou er echter in kunnen bestaan de pensioenbelofte te ontbinden. Bijgevolg dient de pensioenvoorziening boekhoudkundig teruggenomen te worden. Gelijktijdig hiermee kan men een externe pensioenverzekering opstarten en een eenmalige inhaalpremie storten aan de pensioenverzekeraar. Op deze manier wordt de belasting die zou resulteren uit het terugnemen van de pensioenvoorziening fiscaal gecompenseerd door de aftrek van de éénmalige storting van de inhaalpremie. Er is dan geen rechtstreekse overgang van het pensioenkapitaal van de interne pensioenbelofte naar de externe verzekering maar in feite wordt hetzelfde resultaat bereikt. Deze praktijkoplossing wordt onder meer gesteund door de bestaande rechtsleer.

Op deze premies, betaald aan de externe verzekeringsmaatschappij, is weliswaar een premietaks verschuldigd van 4,40 % (art. 175, § 1, 5° W. Taksen) maar indien de bedrijfsleider beroepsmatig actief blijft tot aan de leeftijd van 65 jaar (zij het dat deze activiteit beperkt kan zijn), dan kan hij/zij zijn/haar pensioenkapitaal van de externe verzekeringsmaatschappij verkrijgen tegen een belasting van slechts 10,00 % in plaats van 16,50 %. Daarnaast is er de mogelijkheid van een belastingvrije winstdeelname (art. 40 WIB 1992, onder voorbehoud van de winstdeelnemingstaks van 9,25%).

Van belang is uiteraard wel dat de 80%-grens wordt nageleefd bij de storting van de inhaalpremie; zoniet is de premie niet (volledig) aftrekbaar en is de fiscale neutraliteit bijgevolg niet gewaarborgd.

Samengevat kan dus gesteld worden dat het pensioenkapitaal voortvloeiend uit een pensioenbelofte onderhevig is aan het ondernemingsrisico. Het is dus de vraag of deze kan omgevormd worden in een externe verzekering waardoor dit niet langer het geval is.

Voor pensioenovereenkomsten daterend van voor 1 januari 2004 bestaat er hier een uitdrukkelijke fiscale regeling voor. Voor pensioenovereenkomsten daterend van na 1 januari 2004 kan hetzelfde bereikt worden door de pensioenbelofte te ontbinden en een externe verzekering af te sluiten met een onmiddellijke storting van een inhaalbijdrage.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.