Betaling afdwingen buiten de rechtbank om …. bij wco niet uitgesloten, wel beperkt…

Betaling afdwingen buiten de rechtbank om …. bij wco niet uitgesloten, wel beperkt…

 

Het verbod op eigenrichting houdt in dat men voor de afdwinging van subjectieve rechten -zoals onder meer de inning van schuldvorderingen- altijd een beroep moet doen op de overheid en dat eigenmachtige afdwinging in beginsel verboden is. Het verbod impliceert dat een schuldeiser zijn toevlucht moet nemen tot de wettelijk voorziene maatregelen (procedure voor de rechtbank, invordering met de gerechtsdeurwaarder, etc …) en niet autonoom dwangmiddelen mag aanwenden. Het Belgische recht kent drie specifieke uitzonderingen op dit verbod: het retentierecht, de exceptie van niet-uitvoering en de schuldvergelijking of compensatie. Het nut van dergelijke, buitengerechtelijke technieken laat zich uiteraard het sterkst voelen wanneer men te maken heeft met een onvermogende schuldenaar. Het is dan ook de vraag hoe deze actiemiddelen zich verhouden ten opzichte van de procedure van gerechtelijke reorganisatie uit de Wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van ondernemingen (WCO), en meer bepaald of deze nog mogelijk zijn gedurende de periode dat de schuldenaar principieel tegen beslag en faillissement beschermd wordt.

Het retentierecht vormt een eerste uitzondering op het verbod van eigenrichting. Dit recht houdt in dat men de afgifte van een bepaalde zaak aan de schuldenaar opschort totdat deze zijn schuld heeft voldaan. Daartoe is vereist dat men beschikt over een zekere en opeisbare schuldvordering, die tevens een voldoende nauwe objectieve band heeft met het teruggehouden goed. Klassiek voorbeeld is dat van de garagist die de herstelde wagen achterhoudt totdat zijn factuur betaald werd.

Een tweede uitzondering is de exceptie van niet-uitvoering, die nauw verwant is met het retentierecht. Hiermee kan een schuldeiser onder bepaalde voorwaarden de nakoming van een eigen verbintenis uit een wederkerige overeenkomst opschorten totdat zijn wederpartij zijn verbintenis(sen) uit die overeenkomst nakomt. Gedacht kan worden aan de (gedeeltelijke) inhouding van de prijs voor een gebrekkige levering, zolang deze niet geremedieerd wordt.

Anders dan voor zakelijke zekerheidsrechten zoals hypotheken en pandrechten, doet de opening van een procedure WCO geen afbreuk aan lopende contracten en ook niet aan de ‘feitelijke zekerheidsrechten’ zoals het retentierecht en de niet-uitvoeringsexceptie.

Zoals altijd dient wel rekening gehouden te worden met het leerstuk van het rechtsmisbruik. De uitoefening van rechten op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en oplettend persoon, is verboden. De rechter kan het voordeel voor de schuldeiser van bijvoorbeeld de niet-uitvoeringsexceptie afwegen tegen het nadeel voor de schuldenaar, en zal slechts tussenbeide komen wanneer er daartussen een kennelijke disproportie bestaat.

In de rechtsleer wordt vaak geopperd dat de doelstellingen van de WCO -namelijk het behoud van de continuïteit van de onderneming- ertoe leiden dat de toetssteen van de proportionaliteit sneller overschreden wordt ingeval een schuldeiser in de opschorting zijn retentierecht of de niet-uitvoeringsexceptie uitoefent. Deze stelling lijkt in de rechtspraak gehoor te vinden, waardoor (al te) vaak tot rechtsmisbruik zal worden besloten, vooral bij overeenkomsten met opeenvolgende prestaties (bijvoorbeeld verplichting tot regelmatige levering). De rechtbank moet zich echter steeds terughoudend opstellen en elke concrete situatie aftoetsen aan het criterium van een normaal en zorgvuldig schuldeiser, in dezelfde omstandigheden geplaatst. Toch zal een lichtzinnige opschorting van de eigen prestaties, bijvoorbeeld louter omwille van het openvallen van een procedure WCO, en zonder dat de debiteur betekenisvol in gebreke is gebleven, deze toets niet doorstaan en door de debiteur kunnen bestreden worden. Artikel 35 WCO-wet verbiedt overigens contractuele clausules die toelaten om een overeenkomst te beëindigen louter omdat een procedure WCO aangevraagd of geopend werd.

Naast het retentierecht en de niet-uitvoeringsexceptie is ook compensatie of schuldvergelijking een zekere vorm van eigenrichting. Schuldvergelijking doet wederzijdse schuldvorderingen tenietgaan ten beloop van het kleinste gemeenschappelijk bedrag. Aldus heeft schuldvergelijking, naast een vanzelfsprekende betalingsfunctie, ook een zekerheidsfunctie, in die zin dat de betaling van een schuldvordering gegarandeerd wordt door het tenietgaan van een eigen schuld. Schuldvergelijking vindt in principe automatisch plaats indien de wederzijdse schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn. Om schuldvergelijking nog te kunnen toepassen met een schuldvordering die onder een beslag of faillissement valt, dienen echter een aantal strikte voorwaarden vervuld te zijn. Deze imperatieve voorwaarden maken dat de schuldvergelijking in dergelijke gevallen vaak niet meer mogelijk zal zijn, en dat men dus riskeert om zelf zijn schuld aan bijvoorbeeld de gefailleerde te moeten vereffenen, zonder zijn eigen schuldvordering op de gefailleerde in mindering te kunnen brengen.

De rechtsleer en de rechtspraak zijn het erover eens dat schuldeisers in een procedure WCO op gedifferentieerde manier mogen behandeld worden, zowel tijdens de opschorting als naderhand in het kader van een eventueel reorganisatieplan. Daarin verschilt de procedure WCO van een faillissement, waar de principiële gelijkheid van de gewone schuldeisers vooropstaat.

Aldus beschouwd, verhindert de opschorting niet de compensatie tussen wederzijdse vorderingen in de mate dat deze vóór de procedure WCO zijn ontstaan. Dit lijdt enkel uitzondering ingeval een schuldeiser een vordering van vóór de opening van de procedure WCO wil compenseren met een schuld die nà de opening van de procedure WCO ontstaan is. Immers bepaalt artikel 34 WCO-wet dat schuldvergelijking tussen een schuld van vóór de opening van de opschorting slechts mag gecompenseerd worden met een vordering die de schuldenaar nà de opening van de opschorting heeft verkregen, indien  beide schulden samenhangend zijn. Dit houdt in dat beide schuldvorderingen op elkaar dienen betrekking te hebben, bijvoorbeeld door hun voorwerp of hun achterliggende overeenkomst. Voor schulden van de onderneming in WCO die ontstaan nà de opening van de procedure, is compensatie mogelijk volgens de gewone regels. Dit vloeit voort uit het feit dat dergelijke vorderingen immers niet onder de opschorting vallen en dat aldus alle middelen van tenuitvoerlegging, waaronder schuldvergelijking, mogelijk blijven.

Feitelijke zekerheidsrechten zoals het retentierecht en de niet-uitvoeringsexceptie worden in principe niet beknot tijdens de periode van opschorting in het kader van de WCO. Deze middelen laten vaak toe om op buitengerechtelijke wijze één en ander ter recupereren. Een schuldeiser dient zich er anderzijds van bewust te zijn dat deze middelen niet ‘zomaar’ mag inroepen vermits een rechtbank geneigd kan zijn om in het kader van een WCO-procedure sneller tot rechtsmisbruik te besluiten. Ook de mogelijkheid van schuldvergelijking wordt niet aangetast door de opschorting, weze het dat de vorderingen samenhangend moeten zijn wanneer de vordering van de schuldenaar slechts ontstaat nadat de opschorting werd verleend. De wettelijke toegestane vormen van eigenrichting worden dus niet uitgesloten in het kader van de WCO, doch wel beperkt door de wet en de rechtspraak. 

 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.