BELASTINGVRIJE KAPITAALVERMINDERINGEN VERSUS BELASTE DIVIDENDUITKERINGEN BIJ HOLDINGS – EEN VERHAAL VAN FISCAAL MISBRUIK ?

BELASTINGVRIJE KAPITAALVERMINDERINGEN VERSUS BELASTE DIVIDENDUITKERINGEN BIJ HOLDINGS – EEN VERHAAL VAN FISCAAL MISBRUIK ?

Holdings in combinatie met de mogelijkheid om belastingvrije kapitaalverminderingen door te voeren, zijn al langer een doorn in het oog van de administratie. 

Het klassieke scenario is voldoende bekend. De aandeelhouders van familiale vennootschappen brengen de aandelen van hun goed draaiende exploitatievennootschappen aan werkelijke waarde onder in het kapitaal van de door hen gecontroleerde holding. Op deze wijze worden de latente meerwaarden op deze aandelen belastingvrij vastgeklikt. Deze structuur biedt meteen de mogelijkheid om dividenden op te stromen vanuit de exploitatievennootschappen naar de familiale holding. Op deze dividendenstroom kleeft zo goed als geen belastingdruk in hoofde van de holding; de ontvangen dividenden zijn immers voor 95 % vrijgesteld van vennootschapsbelasting met toepassing van de zogenaamde DBI – aftrek (de aftrek definitief belaste inkomsten). De aldus ontvangen dividenden kunnen naderhand belastingvrij uitgekeerd worden aan de familiale aandeelhouders middels een kapitaalvermindering. Het fiscaal voordeel van dit scenario is uitgesproken : op een dividenduitkering door de exploitatievennootschappen aan de familiale aandeelhouders is normaliter een roerende voorheffing verschuldigd van 25 %, terwijl hogeromschreven scenario toelaat hetzelfde dividend zo goed als belastingvrij te laten toekomen aan dezelfde familiale aandeelhouders mits voorafgaandelijk een holding op te richten en na verloop van tijd een belastingvrije kapitaalvermindering door te voeren. 

Zoals reeds aangekaart in het vorig nummer van onze nieuwsbrief ontmoeten we recent de administratie in een aantal dossiers rond holdings, die reeds jaren geleden werden opgericht, en die in het recentere verleden belastingvrije kapitaalverminderingen hebben doorgevoerd met middelen die zijn vrijgekomen uit dividenduitkeringen door de onderliggende exploitatievennootschappen. In het vorig nummer zijn we nader ingegaan op het standpunt van de administratie om de betrokken kapitaalverminderingen in toepassing van artikel 344 par 1 WIB 92 oude stijl te kunnen herkwalificeren in dividenduitkeringen, gecombineerd met de vorming van een uitgiftepremie ten belope van eenzelfde bedrag dat werkelijk gestort kapitaal vertegenwoordigt. Gevolg van deze herkwalificatie is dan de verschuldigdheid van de roerende voorheffing ad 25 % op het bedrag van de kapitaalvermindering. Zoals u kunt vernemen in ons artikel in het vorige nummer, komt ons deze wijze van toepassing van de antimisbruikbepaling oude stijl zeer voor kritiek vatbaar. 

In dit artikel gaan we nader in op het standpunt dat de administratie inneemt omtrent de betrokken kapitaalverminderingen die dateren van recentere datum, waarbij de administratie (lees : de BBI) van oordeel is – of was ? - dat deze kapitaalvermindering op grond van de antimisbruikbepaling van artikel 344 per 1 WIB 92 nieuwe stijl kunnen geconverteerd worden in dividenduitkeringen, met de verschuldigdheid van de roerende voorheffing voor gevolg. 

Voor de goede orde, brengen we de antimisbruikbepaling nieuwe stijl van artikel 344 par 1 WIB 92, zoals deze van toepassing is vanaf aanslagjaar 2013, eerst even in herrinering . Eerste stap in de toepassing van artikel 344 par 1 WIB 92 nieuwe stijl is dat de administratie het bewijs levert dat de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen, die een zelfde verrichting tot stand brengt, fiscaal misbruik uitmaakt. Fiscaal misbruik doet zich voor wanneer de belastingplichtige door het stellen van deze rechtshandeling(en) zich in een situatie plaatst waarbij hij de doelstellingen van welbepaalde bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen of de in uitvoering daarvan genomen besluiten frustreert. Slaagt de fiscus in het bewijs van het beweerd fiscaal misbruik, dan kan de belastingplichtige in een tweede stap alsnog het bewijs leveren dat de betrokken rechtshandeling(en) is/zijn ingegeven door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. Deze motieven hoeven niet noodzakelijker wijze op economisch vlak te liggen maar kunnen ook persoonlijk of familiaal van aard zijn, voor zover niet verwaarloosbaar of zuiver kunstmatig. Slaagt de belastingplichtige niet in deze bewijsvoering, dan kan de administratie in de derde en laatste stap het fiscaal misbruik herstellen door de rechtshandeling(en) aan belasting te onderwerpen overeenkomstig het doel van de wet alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. 

In de betrokken dossiers meent de administratie het fiscaal misbruik an sich te kunnen afleiden uit het feit dat in het boekjaar van de kapitaalvermindering de holdingvennootschap belangrijke dividenden genoot van haar dochtervennootschappen en dat deze dividenden vervolgens door de holdingvennootschap vrij van roerende voorheffing werden uitgekeerd aan haar aandeelhouders onder de vorm van een kapitaalvermindering. Inzonderheid meent de administratie dat de keuze voor een kapitaalvermindering in deze omstandigheden fiscaal misbruik an sich uitmaakt doordat deze keuze de doelstelling van de artikelen 18, eerste lid, 1° WIB 92 en artikel 269, eerste lid, 2° WIB 92 zou frustreren; artikel 18, eerste lid, 1° stelt immers als dividend belastbaar alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welke hoofde en op welke wijze ook verkregen …. 

Hetzelfde artikel 18, eerste lid, 2° WIB 92 bepaalt echter voorts dat terugbetalingen van kapitaal weliswaar in principe dividenden uitmaken in fiscalibus, maar voegt daar onmiddellijk aan toe dat dit niet het geval is voor terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen. De administratie grijpt evenwel terug naar een cassatiearrest van 20 december 1973 om te stellen dat de bedoeling van laatstgenoemde bepaling was werkelijke terugbetalingen van kapitaal vrij te stellen van dividendbelasting wat volgens haar niet het geval zou zijn wanneer de kapitaalvermindering wordt vervangen door (een aangroei van) reserves. In de betrokken dossiers maakten de ontvangen dividenden van de dochtervennootschappen (een aangroei van) reserves uit in hoofde van de holdingvennootschap, terwijl haar kapitaal in hetzelfde boekjaar werd verminderd …. Dat maakt dat de doelstelling van artikel 18, eerste lid, 2° WIB 92 zou zijn gefrustreerd, althans volgens de administratie …. 

Voor de volledigheid weze vermeld dat het voormeld cassatiearrest van 20 december 1973 betrekking had op de situatie waarbij het kapitaal van een vennootschap in eerste instantie werd verminderd door een belastingvrije terugbetaling ervan aan haar aandeelhouders om vervolgens onmiddellijk en in dezelfde notariele akte opnieuw te worden hersteld op haar oorspronkelijk bedrag door een kapitaalverhoging door inlijving van reserves. Het Hof van Cassatie bevestigde dat deze accordeonverrichting simulatie uitmaakte doordat uit de feiten bleek dat de werkelijke bedoeling niet de terugbetaling van het kapitaal maar wel de uitkering van de reserves is geweest ….. Kortom, een verhaal over simulatie waarbij zich een discrepantie voortdoet tussen de veruitwendigde wil en de innerlijke wil van de betrokken rechtshandelingen. Het komt niet evident voor dat uit dit verhaal over simulatie lering kan getrokken worden in verhalen over fiscaal misbruik …. 

Voorts meende de administratie uit de historiek van de opeenvolgende kapitaalverminderingen en de samenhang ervan met de ontvangen dividenden door de jaren heen, het subjectieve element van het beweerde fiscaal misbruik – dit is het wezenlijk doel van belastingontwijking bij het stellen van deze rechtshandelingen - te kunnen aantonen. 

Ons grondwettelijk legaliteitsbeginsel maakt evenwel dat er geen belasting kan geheven worden dan door een wet. Het is m.a.w. de wet zelf die de essentiële bestanddelen van de belasting dient vast te stellen, inzonderheid de aanwijzing van de belastingplichtige, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen. Alles is vrij van belastingen tenzij de wet – enige bron van belastingen – het anders bepaalt. Dit maakt meteen dat fiscale wetten strikt moeten worden geinterpreteerd en dat bij twijfel omtrent de draagwijdte ervan een en ander moet uitgelegd worden in het voordeel van de belastingplichtige. 

Ook antimisbruikbepalingen zijn gevat door dit legaliteitsbeginsel : bij toepassing van een antimisbruikbepaling moeten de essentiële bestanddelen van de belasting vastgelegd zijn door de wetgever zonder appreciatiebevoegdheid noch van de uitvoerende macht – de administratie - noch van de rechterlijke macht. En precies op dit punt knelt het schoentje in de hogeraangehaalde argumentatie van de administratie. De antimisbruikbepaling van artikel 344 par 1 WIB92 bepaalt immers dat van fiscaal misbruik enkel sprake kan zijn als de doelstelling van welbepaalde bepalingen van het WIB of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten wordt gefrustreerd. Het grondwettelijk legaliteitsbeginsel vereist noch min noch meer dat de betrokken doelstelling voldoende duidelijk moet blijken uit de tekst zelf van de betrokken bepaling en in voorkomend geval uit de parlementaire voorbereidende werken van de betrokken wetsbepaling. Immers het weze herhaald, de essentiele bestanddelen van een belasting moet teruggaan op de wet en niets anders dan de wet … Dit staat ook met zoveel woorden te lezen in het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2013 dat bevestigde dat artikel 344 per 1 WIB 92 in deze lezing grondwetsconform is …. De verwijzing van de administratie in haar argumentatie naar een cassatiearrest om de beweerde gefrustreede doelstelling van de betrokken bepaling van artikel 18, eerste lid, WIB 92 te onderbouwen, voldoet dan ook sowieso niet aan deze vereiste en kan dan ook niet bijgetreden worden aangezien strijdig met ons grondwettelijk verankerd legaliteitsbeginsel. Bijkomend is het zeer de vraag of dit cassatiearrest wel iets zegt over de doelstelling van de betrokken bepaling en niet eerder een verhaal is over wat simulatie kan uitmaken …. 

Meer algemeen kadert het verhaal van de antimisbruikbepaling in een verhaal rond kunstgrepen van belastingplichtigen met een wezenlijk fiscaal doel. De ratio legis van een antimisbruikbepaling is dat deze antimisbruikbepaling bij kunstgrepen van belastingplichtigen de administratie moet in staat stellen ervoor te zorgen dat de belasting wordt gegrondvest op de normale juridische kwalificatie van de verrichting tussen partijen. Een kapitaalvermindering an sich kan echter moeilijk beschouwd worden als een kunstgreep, te weten een niet voor de hand liggende verrichting. Wel integendeel, een kapitaalvermindering is een gangbare en courante operatie om middelen vanuit de vennootschap te onttrekken in het voordeel van de aandeelhouders …. 

In een aantal dossiers meent de administratie de antimisbruikbepaling nieuwe stijl te kunnen loslaten op kapitaalverminderingen van holdings in de mate dat in hetzelfde boekjaar als de kapitaalvermindering de holding dividenden voor minstens eenzelfde bedrag heeft ontvangen van haar dochtervennootschappen en de vermindering van het kapitaal wordt gecompenseerd door een verhoging van de reserves. Inzonderheid meent de administratie dat in deze omstandigheden de doelstelling van artikel 18, eerste lid, 1° WIB 92 dat voorziet dat kapitaalverminderingen overeenkomstig de vennootschappenwet geen dividenden uitmaken , wordt gefrustreerd met verwijzing naar een oud cassatiearrest. Los van de vraag of dit cassatiearrest wel relevant is, vereist een grondwetsconforme toepassing van de antimisbruikbepaling dat de gefrustreede doelstelling van de betrokken wettelijke bepaling te lezen valt in de wet zelf of in de voorbereidende werken zonder appreciatiebevoegdheid van de administratie of de rechterlijke macht.

Dit standpunt komt er bovendien noch min noch meer op neer dat iedere kapitaalvermindering in een boekjaar waarin winst werd gerealiseerd zou kunnen worden geherkwalificeerd in een dividenduitkering in toepassing van artikel 344 par 1 WIB 92 nieuwe stijl. Dit lijkt meer dan een brug te ver; het WIB schrijft immers voor onder welke voorwaarden een kapitaalvermindering belastingvrij kan plaatsvinden. Door van belasting vrijgestelde kapitaalverminderingen te onderwerpen aan bijkomende voorwaarden die niet in de wet zijn voorzien,  lijkt het grondwettelijk verankerd legaliteitsbeginsel – geen belasting dan uit kracht van wet - geschonden.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.