Begroting 2012 : gestrikt door uw bedrijfswagen ?

Begroting 2012 : gestrikt door uw bedrijfswagen ?

We trappen allicht een open deur in als we schrijven dat ons land al jarenlang wereldkampioen is wat betreft het belasten van arbeidsinkomsten. Jaar na jaar heeft België de dubieuze eer om bovenaan te staan op de lijsten van landen met de hoogste belastingdruk. De gemiddelde fiscale en parafiscale druk op een loon of bezoldiging overschrijdt ruimschoots de 50%-grens. Slechts een handvol andere landen overtroffen ons hier.

Ondernemers houden dan ook met dit gegeven rekening. Om hun medewerkers te blijven motiveren zoeken ze naar fiscaal-vriendelijke verloningstechnieken. Een veel gebruikte techniek is het toekennen van voordelen van alle aard. In principe worden deze voordelen belast op basis van de werkelijke waarde in hoofde van de genieter (art. 36, §1 WIB). De waarde van sommige voordelen wordt door de Koning op een vast bedrag geraamd (zie artikel 18 KB WIB). Doorgaans is de waarde van het voordeel dan lager dan de prijs die de werknemer zelf zou moeten betalen om het voordeel te verwerven.  Zelfs na de meest agressieve fiscale optimalisatie blijft de Belgische belastingdruk op het inkomen van de werknemers nog torenhoog in de vergelijking met andere Europese landen.
 
Het zal niemand ontgaan zijn dat de nieuwe regering koortsachtig op zoek is naar meer fiscale inkomsten. Initiatieven voor nieuwe belastingverhogingen lieten nauwelijks enkele weken op zich wachten. Op minder dan een maand na het aantreden van de nieuwe regering verscheen de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen in het Belgisch Staatsblad.

Het oogt van de nieuwe regering viel op de voordelen van alle aard. Het viel de regering op dat bedrijfswagens in ons land wijd verspreid zijn. De regering schrijft dit toe aan de lage waarde die aan het voordeel wordt toegekend. Tot en met 31 december 2011 werd dit voordeel bepaald aan de hand van de CO2 uitstoot van de wagen en de afstand van het woon-werk verkeer. De juiste toepassing van de formule leidt tot een voordeel van alle aard dat in zekere mate verband houdt met het voordeel in hoofde van de genieter. De verplaatsing naar het werk wordt immers als een privé verplaatsing beschouwd. Hoe meer woon-werk verkeer, hoe hoger dus ook het ontvangen voordeel bij de genieter.

Voordelen van alle aard vs. voordelen uit gebruik firmawagen

De wetgever heeft nu beslist om te breken met deze logica. Na de programmawet worden voordelen van alle aard volgens een verschillende methode belast naargelang de aard van het voordeel:

  • Indien het voordeel bestaat uit een ander voordeel dan het kunnen beschikken over een bedrijfswagen, dan wordt het nog steeds geraamd op basis van de werkelijke waarde bij de genieter;
  • Indien het voordeel bestaat uit het kunnen beschikken over een bedrijfswagen, dan speelt het voordeel bij de genieter nog nauwelijks een rol. Het zijn dan vooral de cataloguswaarde van de wagen en de CO2 uitstoot die een rol spelen.

Het was dan ook noodzakelijk om de nieuwe regeling voor bedrijfswagens op te nemen in de wettekst zelf. Een aanpassing van het KB WIB zou allicht strijdig geweest zijn met de wettekst zelf vermits het voordeel bij de genieter niet meer als determinerende factor gehanteerd wordt. Men kan zich afvragen of dergelijke verschillen bij de raming van voordelen in natura de toets van het gelijkheidsbeginsel kan doorstaan. De vraag stelt zich of er voldoende objectieve redenen zijn die toelaten om een belastingplichtige die een voordeel van alle aard voortvloeiend uit het gebruik van firmawagens op een andere basis (namelijk cataloguswaarde en CO2 uitstoot) te belasten dan een belastingplichtige die een ander voordeel krijgt (waar de belasting berekend wordt op het voordeel voor de verkrijger).

De cataloguswaarde…

Verder blinkt de wettekst niet uit in duidelijkheid. Vooral de definitie van het begrip “cataloguswaarde” is in dit opzicht problematisch. Nochtans is dit, naast de CO2 uitstoot, de enige parameter die nog bepalend is voor de berekening van het voordeel. De wettekst vermeldt dat de cataloguswaarde gelijk is aan “de gefactureerde waarde inclusief opties en belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno”. In de voorbereidende werken wordt aangegeven dat deze definitie van toepassing is zowel “op nieuwe wagens, als op tweedehands wagens of wagens in leasing”.

Bij aankoop van een nieuwe wagen ligt de toepassing van de nieuwe definitie voor de hand. Alhoewel bij nader inzien er toch nog verschillen mogelijk zijn naargelang de manier waarop de aankoopfactuur voor de wagen werd opgemaakt. Indien de factuur geen melding maakt van een korting, is het totaal bedrag van de factuur de gefactureerde waarde. Indien er op de factuur een korting wordt verrekend, dan dient deze korting opnieuw te worden bijgeteld bij het factuurtotaal om de cataloguswaarde te berekenen.

Ook bij aankoop van een tweedehandswagen is er weinig discussie. De minister van financiën bevestigde dat de door de werkgever betaalde en gefactureerde waarde als cataloguswaarde kan dienen. In dat geval wordt het voordeel dan berekend op de waarde van het voertuig bij verkoop tweedehands (en niet meer op de nieuwwaarde zoals bij een nieuw voertuig). De aankoop van een tweedehandsvoertuig kan dus fiscaal gunstiger worden behandeld dan de aankoop van een nieuwe wagen. Deze maatregel kan sommige ondernemingen ertoe aanzetten hun wagenpark te verkopen om het voordeel op een lagere cataloguswaarde te laten berekenen. Wel moet dan nog rekening gehouden worden met de Belasting op Inverkeersstelling. Al te creatieve fiscale geesten wezen echter gewaarschuwd: tijdens de parlementaire bespreking kondigde de minister aan dat zal worden opgetreden in geval van misbruiken…

Wat bij leasing ?

In geval van leasing is minder duidelijk hoe de nieuwe regel wordt toegepast. Nochtans komt leasing in de praktijk het meeste voor. Tijdens de bespreking in de kamercommissie financiën bevestigde de minister dat bij leasing rekening gehouden wordt met de “cataloguswaarde” waar de optieprijs deel van uitmaakt. Daarmee is nog steeds niet duidelijk welke gefactureerde waarde dan wordt bedoeld. Allicht is het de bedoeling dat de oorspronkelijk aan de leasinggever gefactureerde waarde als cataloguswaarde beschouwd wordt. In de praktijk is dit echter moeilijk toepasbaar omdat de werkgever deze waarde doorgaans niet kent. Ook zal in deze factuur de korting die aan leasingmaatschappijen wordt toegekend reeds verwerkt zijn.

Als alternatief kan men de door de leasinggever aan de leasingnemer gefactureerde leasevergoeding in aanmerking worden genomen. In dit geval zou dan het gedeelte van de leasevergoedingen dat het geïnvesteerde kapitaal weder samenstelt dienen als cataloguswaarde. Deze werkwijze zou er dan toe leiden dat het voordeel uit een geleased voordeel altijd berekend wordt op de nieuwwaarde. Tenzij de leasingmaatschappij op termijn het voertuig doorverkoopt en dan vervolgens een nieuw leasingcontract zou afsluiten. In dat geval zou de cataloguswaarde dan gebaseerd zijn op de tweedehandswaarde.

Wetswijziging dringt zich op

De onduidelijkheden in de wettekst maken dat het in veel gevallen raadzaam kan zijn om nog even af te wachten alvorens na te denken over mogelijke optimalisaties. Er dient immers ook rekening te worden gehouden met de in het regeerakkoord aangekondigde nieuwe anti-misbruikbepaling. De formulering hiervan kan mogelijk een impact hebben.
 
De huidige wettekst zou, als hij niet wordt bijgestuurd, in de praktijk aanleiding geven tot verwarring en tot talloze discussies met de administratie. Het zou ons dan ook niet verbazen mocht de regering op korte termijn initiatief nemen om een wetsontwerp in te dienen waarin onder andere het begrip “cataloguswaarde” verder gepreciseerd zal worden.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.