Abnormaal lage aankoopprijzen - geen bewijs medeplichtigheid aan btw-fraude !

Abnormaal lage aankoopprijzen - geen bewijs medeplichtigheid aan btw-fraude !

Wanneer een btw-plichtige de btw op de goederen en diensten die hem worden geleverd in aftrek heeft genomen kan hij in bepaalde gevallen er toe zijn gehouden deze btw terug te storten aan de Staat. Dit is ondermeer zo wanneer hij op het tijdstip dat hij de btw in aftrek brengt “wist of moest weten” dat de btw in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken (art. 79 §2 lid 2 W.BTW). Wanneer dit intentioneel element in hoofde van deze belastingplichtige is bewezen, is hij met de leverancier hoofdelijk gehouden tot voldoening van de btw (art. 51 bis §4 W.BTW) en komt hij meteen in het vizier van de strafbepalingen van het btw-wetboek. Daardoor riskeert hij ondermeer administratieve geldboetes gelijk aan het dubbel van de btw (art. 70 W.BTW) of nog gevangenisstraffen en/of strafrechtelijke geldboetes die kunnen oplopen tot 3.000.000,00 € (art. 73 W.BTW).

computers aangekocht aan te lage prijs

Recent heeft het Hof van Cassatie zich opnieuw over deze problematiek uitgesproken (Cass. 25 februari 2013). De feiten hadden betrekking op een computerhandelaar die in 2005 gedurende een periode van zes maanden voor een bedrag van ongeveer 3.400.000,00 € goederen aankocht bij een leverancier waarmee hij voordien geen enkele handelsrelaties onderhield. De fiscus stelde vast dat deze leverancier de btw op de verkopen niet aan de Staat heeft doorgestort. Hij diende ook geen enkele btw-aangifte in en werd kort nadien failliet verklaard. De op zak gestoken btw maakte volgens de btw-administratie dat de leverancier zijn prijzen kunstmatig kon verlagen tot een niet-concurrentieel niveau. Volgens de fiscus moet de computerhandelaar zich bewust zijn geweest dat er sprake was van fraude gelet op het feit dat de aankoopprijzen aanzienlijk lager lagen dan de prijzen die de marktleiders voor gelijkaardige producten hanteerden, de goederen werden aangekocht aan prijzen die lager waren dan de prijzen waaraan de computerhandelaar zelf inkocht, de leverancier een volledig nieuwe speler was op de markt, enz. De btw-administratie weigerde om die reden in hoofde van de computerhandelaar de aftrek van de btw van ongeveer 710.000,00 € die hij had betaald aan de voornoemde leverancier. Er werd bovendien een boete opgelegd gelijk aan het dubbele van de volgens de administratie ten onrechte afgetrokken btw.

specifiek bewijs kennis btw-fraude vereist

De computerhandelaar betwistte de btw-vordering maar kreeg ongelijk van de rechtbank van eerste aanleg, waarna hij hoger beroep aantekende.

Het hof oordeelde op basis van een aantal feitelijke vaststellingen dat de computerhandelaar duidelijk zijn medewerking heeft verleend aan handelingen die hem op zijn minst verdacht moesten lijken en het getuigt volgens het hof van een bedenkelijke mentaliteit dat hij hierover gewoon heengestapt is. Evenwel kan volgens het hof hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat de computerhandelaar er zich ook van bewust moest zijn dat achter de verdachte omstandigheden waarin het computermateriaal hem te koop werd aangebonden specifiek een btw-fraude schuil ging, en meer bepaald dat de prijzen maar zo laag konden zijn ingevolge btw-fraude en niet voortvloeien uit bij voorbeeld een ander misdrijf of een andere soort fraude. Het hof oordeelde dat de kennis van de markt of nog het feit dat de handelaar ook in andere fraudedossiers wordt genoemd als afnemer, of nog de bekende fraudegevoeligheid van de verkoop van computermateriaal, ontoereikend zijn om te kunnen stellen dat hij moest weten dat hij specifiek meewerkte aan een btw-fraude. Volgens het hof is ook niet aangetoond dat mocht de computerhandelaar, in plaats van zonder meer aan verdachte prijs te kopen, nadere inlichtingen zou hebben genomen of nadere opzoekingen zou hebben gedaan tot de bevinding zou zijn gekomen dat zijn leverancier waarschijnlijk de bedoeling had om de btw niet af te dragen en aldus btw-fraude te plegen. Er is volgens het hof aldus niet aangetoond dat de computerhandelaar wist of moest weten dat hij zijn medewerking verleende aan btw-fraude. Het hof concludeert dat de fiscus de aftrek van de betaalde voorbelasting ten onrechte heeft verworpen (Gent 3 januari 2012).

aankopen aan abnormaal lage prijs ≠ kennis van btw-fraude

De fiscus bracht de zaak voor het Hof van Cassatie maar dit Hof zag geen redenen om het arrest te verbreken. Het Hof wijst er op dat het aan de feitenrechter toekomt om in feite te beoordelen of de belastingplichtige wist of moest weten dat hij deelnam aan een transactie die onderdeel is van btw-fraude. Cassatie gaat slechts na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat de betrokken belastingplichtige dit al dan niet wist of diende te weten. Volgens Cassatie is dit het geval in het arrest van het Gentse hof ondermeer gezien door het hof van beroep werd vastgesteld dat achter de verdachte omstandigheden waarin het computermateriaal te koop werd aangebonden niet noodzakelijk een btw-fraude schuilging; dat de abnormaal lage prijs waaraan het computermateriaal te koop werd aangeboden ook kon voortvloeien uit een ander misdrijf of een andere soort fraude en dat bovendien niet is aangetoond dat in geval van verder onderzoek door de handelaar hij tot de bevinding zou zijn gekomen dat zijn leverancier btw-fraude wou plegen.

De aan het cassatiearrest van 25 februari 2013 onderliggende feiten dateren weliswaar van vóór de inwerkingtreding van het voornoemde art. 79 §2 lid 2 W.BTW doch dit maakt het cassatiearrest niet minder relevant op vandaag, wel integendeel. In de genoemde bepaling werd immers de reeds langer gevestigde rechtspraak gebaseerd op de europese regelgeving van het Hof van Justitie ingeschreven. Dat abnormale lage prijzen niet automatisch wijzen op deelname aan btw-fraude kan thans tevens worden gegrond op artikel 79 §2 lid 2 W.BTW. In dit artikel is er immers expressis verbis sprake van btw-fraude met name van het “weten of moeten weten” dat “de verschuldigde belasting” niet werd of zal worden doorgestort “met de bedoeling de belasting te ontduiken”.

Opdat de btw-plichtige kan geacht worden medeplichtig te zijn aan een btw-fraude volstaat het volgens Hof van Cassatie niet dat de administratie bewijst dat de betrokken btw-plichtige wist of moest weten dat hij deelnam aan een fraude; er moet specifiek bewezen zijn dat de btw-plichtige minstens moest weten dat hij deelnam aan een btw-fraude. De concrete feiten zijn doorslaggevend. In geval van beweerde aankopen aan abnormaal lage prijzen zal de administratie vooreerst dienen te bewijzen dat het prijsverschil flagrant is en vervolgens dat uit dit gegeven en uit andere concrete elementen kan worden afgeleid dat de betrokkene – nota bene op het tijdstip van de btw-aftrek - wist of moest weten dat er btw-fraude in het spel is. Het bewijs dat abnormaal lage prijzen gezien de concrete omstandigheden argwaan doen wekken over de te koop aangeboden goederen met name of het geen gestolen goederen betreffen zal bijvoorbeeld niet volstaan.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.