Aanvullende aanslagen gevestigd vóór juni 2010: sowieso nietig!?

Aanvullende aanslagen gevestigd vóór juni 2010: sowieso nietig!?

20.04.2011
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) & Dries Verhaeghe (advocaat)

Artikel 346, derde lid WIB 92 bepaalt sinds jaar en dag dat na een bericht van wijziging de daarop volgende aanslag niet mag worden gevestigd vooraleer de termijn om te antwoorden op een bericht van wijziging is verstreken, of er nu eerder geantwoord is op dit punt of niet; een belastingplichtige kan binnen de antwoordtermijn zijn/haar eerder antwoord immers altijd aanvullen.

Vraag is vervolgens wanneer deze antwoordtermijn verstrijkt. Om dit te kunnen bepalen is het vooral van belang te weten wanneer de antwoordtermijn een aanvang neemt.

In eerdere nummers van deze nieuwsbrief werd in dit verband er reeds de aandacht op gevestigd dat op vandaag de zogenaamde "ontvangsttheorie" van toepassing is (rubriek 'Fiscale Geschillen en Regularisaties': "Aanslagen gevestigd op oudejaar: nietig?" en "Recente wijzigingen in de fiscale procedure"). Voor de goede orde zij het nogmaals herhaald dat deze theorie ervan uitgaat dat onder andere de termijn om te antwoorden op een bericht van wijziging pas ingaat op de dag waarop mag worden aangenomen dat een bericht van wijziging door de belastingplichtige werd ontvangen. De oude "verzendingstheorie", waarbij de antwoordtermijn begon te lopen vanaf de verzending, werd ongrondwettelijk bevonden door het Grondwettelijk Hof bij arrest van 2 juni 2010.

De ongrondwettelijkheid van de oude verzendingstheorie blijft de geesten beroeren en blijft deuren openen naar nieuwe procedure-argumenten, dit tegen ALLE (zelfs de niet à la limite gevestigde) aanvullende aanslagen waaraan een bericht van wijziging onder de oude wetgeving voorafging.

Zo heeft de rechtbank van eerste aanleg van Gent in een recent vonnis van 3 januari 2011 aan de vaststelling dat de 'oude' antwoordtermijn na bericht van wijziging 'ongrondwettig' is, het gevolg gekoppeld:

  1. dat deze antwoordtermijn nooit een aanvang heeft genomen;
  2. dat de antwoordtermijn derhalve nooit is verstreken;
  3. dat de daaropvolgende aanvullende aanslag om die reden (aangezien de antwoordtermijn nooit is verstreken) in ieder geval gevestigd is vóór het verstrijken van een antwoordtermijn en dus in strijd is met het op straffe van nietigheid voorgeschreven artikel 346, derde lid WIB 92.

De krachtlijnen van de daarbij door de rechtbank opgebouwde redenering kunnen stapsgewijs als volgt worden voorgesteld:

  • vooreerst stelt de rechtbank vast dat de oude versie van artikel 346, derde lid WIB 92 inzake de antwoordtermijn ongrondwettig is (daar waar zij uitging van de 'verzendingstheorie' in plaats van de ontvangsttheorie);
  • aangezien de fiscale wet geen grondwetsconforme bepaling bevat inzake het tijdstip waarop de antwoordtermijn na bericht van wijziging aanvangt, besluit de rechtbank dat de oude wetgeving behept is met een lacune op dit punt;
  • de rechtbank is verder van oordeel dat het niet aan een rechtbank of Hof toekomt om een dergelijke lacune in de wetgeving uit eigen beweging in te vullen; de wetgevende taak is immers uitsluitend voorbehouden aan de wetgever;
  • gelet op deze niet op te vullen lacune in de wetgeving besluit de rechtbank dat de antwoordtermijn na bericht van wijziging nooit is ingegaan, zodat die antwoordtermijn ook nooit is kunnen verstrijken en waardoor de daaropvolgende aanslag in ieder geval te vroeg - voor het verstrijken van de antwoordtermijn (wachttermijn) - is gevestigd en dus strijdig is met artikel 346, derde lid WIB 92.

De ontvangsttheorie kan voor de belastingplichtige positieve gevolgen met zich meebrengen bij betwisting van aanvullende aanslagen uit het verleden. Niet alleen à la limite (net voor het verstrijken van de verjaringstermijn) gevestigde aanslagen komen hierdoor op de helling te staan wegens schending van de antwoordtermijn na bericht van wijziging. Alle aanvullende aanslagen waaraan een bericht van wijziging onder de oude wetgeving voorafging, lijken wel eens voor vernietiging in aanmerking te komen wegens schending van de antwoordtermijn na bericht van wijziging.

Een hertaxatie lijkt ons in dergelijk geval overigens uitgesloten. Had de fiscus de antwoordtermijn gerespecteerd dan kon zij ons inziens nooit een tijdige aanslag vestigen; in dergelijk geval van verjaring is hertaxatie precies onmogelijk.

Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Een kopij van dit vonnis in extenso (Rb. Gent, 3 januari 2011, A.R. 09/2327/A) kan bekomen worden via katleen.van.loosveldt@imposto.be.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.