Aanslagen gevestigd op oudejaar: nietig?

Aanslagen gevestigd op oudejaar: nietig?

07.04.2011
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) en Dries Verhaeghe (advocaat)

Niet zelden worden aanvullende aanslagen gevestigd net vooraleer de gewone (of buitengewone) aanslagtermijn van 3 jaar (7 jaar) is verstreken. Bij voorbeeld: op 31 december 2008 wordt in der haast (om verjaring te vermijden) nog een aanvullende aanslag gevestigd over het aanslagjaar 2006. Welnu, de vraag stelt zich of bij het vestigen van een dergelijke aanslag de wettelijke termijn voor de belastingplichtige om te antwoorden op een bericht van wijziging wel is gerespecteerd. Zo niet is deze op de valreep gevestigde aanslag immers nietig.

Aanleiding tot onderhavig artikel is het feit dat het Grondwettelijk Hof (alsook de wetgever) recent heeft gesteld dat de antwoordtermijn van de belastingplichtige bij een bericht van wijziging - overeenkomstig de zogenaamde "ontvangsttheorie" - pas ingaat de derde werkdag volgend op de verzending van een bericht van wijziging.

Van belang daarbij is te stellen dat de wet expliciet en letterlijk voorschrijft dat een daaropvolgende aanslag niet mag worden gevestigd vooraleer de antwoordtermijn van de belastingplichtige is verstreken, ook al laat de belastingplichtige eerder zijn niet-akkoord kennen (artikel 346, derde lid WIB 92).

In het licht hiervan is het in vele gevallen - zeker wanneer een aanvullende aanslag tegen het einde van de verjaringstermijn is gevestigd - nuttig na te gaan of de administratie de aanslag niet te vroeg heeft gevestigd.

Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 2 juni 2010 expressis verbis gesteld dat (zelfs onder de oude wetgeving) de antwoordtermijn bij bericht van wijziging pas ingaat op de dag waarop het bericht van wijziging mag worden geacht te zijn ontvangen door de belastingplichtige, dit is de derde werkdag volgend op die waarop het bericht van wijziging aan de postdiensten werd overhandigd (dit is de zogenaamde ontvangsttheorie). Met ingang van 7 juni 2010 stelt nu ook de fiscale wet (aangepast artikel 346, derde lid WIB 92) uitdrukkelijk dat de antwoordtermijn pas begint te lopen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van wijziging.

De fiscus moest en moet deze antwoordtermijn respecteren. Ook al wordt er eerder geantwoord met een niet-akkoord, toch kan zij de aanslag niet vestigen dan nadat de volledige termijn is doorlopen. Zo niet is de aanslag nietig. Een voorbeeld:

Bericht van wijziging AJ 2006: woensdag 26 november 2008
Antwoordtermijn: 1 maand vanaf maandag 1 december 2008 (= 3e werkdag ná woensdag 26 november 2008), dus tot en met 31 december 2008
Aanvullende aanslag AJ 2006: kan niet meer tijdig worden gevestigd zonder miskenning antwoordtermijn

Bovenstaand voorbeeld toont aan dat, rekening houdend met een grondwetsconforme interpretatie van de antwoordtermijn (ontvangsttheorie), aanvullende aanslagen in een aantal gevallen - waarbij de fiscus tegen de limiet van de verjaring werkt - mogelijkerwijs te laat komen en dus nietig zijn.

Indien een aanvullende aanslag werd gevestigd nét voor het verstrijken van de aanslagtermijn van 3 jaar (7 jaar), is het zeker aangewezen te checken wanneer het daaraan voorafgaand bericht van wijziging werd verstuurd. Het is niet ondenkbeeldig dat de à la limite gevestigde aanvullende aanslag werd gevestigd in strijd met de door het Grondwettelijk Hof verduidelijkte antwoordtermijn bij bericht van bericht wijziging. Desgevallend is de betrokken aanslag nietig en kan een procedure tot vernietiging worden opgestart.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.